| Plan: | Ariaweg-noord |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0307.BP00109-0301 |
De gemeenteraad heeft op 11 december 2007, in het kader van Amersfoort Vernieuwt het ontwikkelingsplan voor Randenbroek-Schuilenburg vastgesteld. Daarin staan afspraken tussen de Alliantie en gemeente over het herontwikkelen van het gebied rondom het Operaplein. De Ariaweg-noord ligt binnen dit gebied.
De herontwikkeling van het gebied Ariaweg-noord omvat het slopen van woningen van de Alliantie, het daarvoor in de plaats bouwen van nieuwe eengezinswoningen en de renovatie van drie galerijflats aan de Ariaweg. Deze verbeteringen zijn een belangrijke impuls voor het gebied om de leefbaarheid te verbeteren. Een opgeknapt woongebied zal ook zijn uitstraling hebben op toekomstige investeerders in het Operaplein.
Het gebied ten noorden van het Operaplein functioneert op sociaal-economisch en volkshuisvestelijk oogpunt niet naar wens. De woningvoorraad is verouderd en eenzijdig. De openbare ruimte is stenig en is grotendeels opgevuld met parkeerplaatsen. Het gebied voelt anoniem en wordt nauwelijks als verblijfsgebied gebruikt. De groene kwaliteiten van de groengordel Schuilenburg liggen afgeschermd aan de buitenzijde van het gebied. Het contrast tussen de grote galerijflats en kleine seniorenwoningen maken dat een duidelijke identiteit in het gebied ontbreekt. Een deel van deze probleemstelling wordt opgepakt in voorliggend plan.
Op 31 maart 2015 heeft de gemeenteraad het stedenbouwkundig- en beeldkwaliteitplan "Ariaweg Noord" vastgesteld. Hierin is het volgende programma benoemd:
De nieuwbouw in het plangebied en de aanpassingen in de openbare ruimte passen niet binnen dit planologische regime. Het opstellen van een nieuw bestemmingsplan is daarom noodzakelijk. Het vastgestelde stedenbouwkundig plan vormt de basis voor het voorliggende bestemmingsplan "Ariaweg-noord".
Het plangebied ligt in Schuilenburg Noord, ten noorden van het winkelcentrum Operaplein. In het plangebied bevinden zich 20 seniorenwoningen en 3 portiekflats (gebouwd rond 1970), met in totaal 126 woningen.
Het plangebied wordt begrensd door:
Globale ligging plangebied
Voor het grootste deel van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Randenbroek Schuilenburg 2007". Een kleiner deel, tussen de Ariaweg en de Hogeweg, ligt in het plan van uitbreiding in onderdelen "Schuilenburg" (1965).
Uitsnede bestemmingsplan "Randenbroek Schuilenburg 2007"
Uitsnede plan van uitbreiding in onderdelen "Schuilenburg" (1965)
Door alle nieuwe bestemmingsplannen volgens een uniforme systematiek op te stellen binnen de kaders van het Handboek bestemmingsplannen, wordt uniformiteit in kaartbeeld en planregels bewerkstelligd, waardoor de rechtszekerheid en de praktische hanteerbaarheid van de bestemmingsplannen wordt vergroot.
Tevens wordt voldaan aan de verplichting tot digitalisering en digitaal gebruik van de bestemmingsplannen. Het bestemmingsplan is conform de IMRO-standaard (informatie model ruimtelijke ordening) vervaardigd. Hierdoor is het bestemmingsplan eenvoudig in te brengen in het gemeentelijk (raadpleeg-)systeem en kan het bestemmingsplan op een eenvoudige wijze worden uitgewisseld met andere overheden zoals de provincie. De digitale systematiek heeft weliswaar gevolgen voor het papieren kaartbeeld en de opbouw van de regels, maar sluit naadloos aan bij de huidige eisen die aan een bestemmingsplan worden gesteld.
Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, planregels waarin de regels voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen en een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de planregels het bindende deel van het bestemmingsplan.
De toelichting begint na dit inleidende hoofdstuk met de voor het bestemmingsplan relevante beleidskaders in hoofdstuk 2. In hoofdstuk 3 staat een beschrijving van de bestaande situatie en het nieuwbouwplan. De uitvoeringsaspecten, met name op het gebied van milieu, worden in hoofdstuk 4 uiteengezet. De juridische planopzet wordt toegelicht in hoofdstuk 5, waarbij een korte toelichting op de regels wordt gegeven. Tot slot behandelt hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
De regels zijn ingedeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de begripsbepalingen en de wijze van meten. In hoofdstuk 2 staan de regels voor de verschillende bestemmingen. Het betreft regels over bebouwing en gebruik van de gronden. Algemene regels, die betrekking hebben op alle bestemmingen, zoals algemene bouwregels, staan in hoofdstuk 3. Hoofdstuk 4 bevat het overgangsrecht en de slotregel.
Op de verbeelding is aangegeven welke bestemmingen waar gelden. Door in de digitale verbeelding te klikken (zie www.ruimtelijkeplannen.nl), zijn alle relevante gegevens voor de betreffende locatie te zien.
Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de inhoud van het ruimtelijk relevante beleid voor het bestemmingsplan "Ariaweg-noord" (met dien verstande dat de relevante milieuwetgeving aan de orde komt in hoofdstuk 4). Dit beleid vormt het kader van toetsing van de huidige situatie en nieuwe ontwikkelingen. Het beschreven beleidskader is daarmee een van de belangrijkste bouwstenen voor de visie op het plangebied en de opzet van de juridische regelingen.
Vanwege de omvang en de binnenstedelijke ligging van de ontwikkeling is een beschrijving van het provinciaal- en rijksbeleid achterwege gelaten. De ontwikkeling is niet in strijd met dit beleid.
Op 31 maart 2015 heeft de gemeenteraad de startnotitie "Bestemmingsplan Ariaweg-noord" vastgesteld en besloten werd om de procedure voor model 2 volgens de notitie 'Rol van de raad in RO-procedures' te volgen.
In de startnotitie is de aanpak voor het nieuwe bestemmingsplan beschreven. Tevens wordt daarin verwoord dat het stedenbouwkundig- en beeldkwaliteitsplan als uitgangspunt wordt gehanteerd bij het op te stellen bestemmingsplan. Het nieuwe bestemmingsplan vormt de planologisch-juridische basis voor het realiseren van goede woningen met een eigentijds wooncomfort, praktische plattegronden, gelegen in een mooie omgeving met als eindresultaat een vitale wijk.
De procedure van model 2 houdt in dat er een ontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd (en geen voorontwerp waarop inspraak mogelijk is). De bewoners zijn actief betrokken geweest bij het maken van het stedenbouwkundig plan dat één van de uitgangspunten is voor voorliggend bestemmingsplan.
Het project Amersfoort Vernieuwt is opgestart met als doelstelling dat het in Amersfoort in elke wijk prettig wonen en werken moet zijn. Om dat doel te bereiken, wordt de situatie in enkele wijken aangepakt, middels 'Amersfoort Vernieuwt' projecten. Amersfoort Vernieuwt gaat uit van een totaalaanpak om de kwaliteit in de wijk te verhogen.
Met Amersfoort Vernieuwt wordt verder de realisatie van een verschuiving van 10 tot 15% van goedkope sociale woningbouw naar het middensegment beoogd.
Het programma Amersfoort Vernieuwt is een gezamenlijk initiatief van de gemeente en de woningbouwcorporaties Alliantie Eemvallei en Portaal. Uitgangspunt is dat de planvorming altijd in nauw overleg met de bewoners en andere partijen uit de wijk plaatsvindt.
De gemeenteraad heeft op 11 december 2007, in het kader van Amersfoort Vernieuwt het ontwikkelingsplan voor Randenbroek-Schuilenburg vastgesteld. Daarin staan afspraken tussen de Alliantie en gemeente over het herontwikkelen van het gebied rondom het Operaplein. De Ariaweg-noord ligt binnen dit gebied. In navolging op dit besluit heeft de gemeenteraad op 31 maart 2015 het stedenbouwkundig- en beeldkwaliteitplan 'Ariaweg Noord' vastgesteld. In hoofdstuk 3 wordt een toelichting gegeven op de stedenbouwkundige keuzes die gemaakt zijn voor dit plan.
Groene Saldoregeling
Onderdeel van het Amersfoort Vernieuwt programma is de Groene Saldo regeling. Deze regeling is tot stand gekomen, om speciale aandacht te geven aan groen als kwaliteitskenmerk van de woon- en leefomgeving.
In deze Structuurvisie is geen nieuw beleid geformuleerd, maar is het ruimtelijk relevante bestaande beleid in samenhang gepresenteerd. Het gaat in hoofdlijnen om beleidsnota's en ruimtelijke kaders die voor projecten zijn bepaald.
Structuurvisie Amersfoort: Ruimtelijke hoofdstructuur 2009
Het plangebied van de Ariaweg noord valt in de structuurvisie binnen het gebied dat is aangemerkt als 'Woongebieden'. In het ontwikkelingsbeeld dat de structuurvisie schetst, is te zien dat alle Amersfoort Vernieuwt-wijken als 'stedelijke herstructurering' zijn aangemerkt. De Ariaweg-noord wordt niet apart in de structuurvisie genoemd.
In juli 2013 heeft de raad de Structuurvisie Amersfoort 2013 vastgesteld. In deze Structuurvisie wordt de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van Amersfoort geschetst en wordt een samenhangend ruimtelijk ontwikkelingsperspectief met een nieuwe sturingsfilosofie geboden. In de Structuurvisie worden de mogelijke rollen van de gemeente in de uitnodigingsplanologie beschreven in het veranderende speelveld van gebiedsontwikkeling. Door de "Amersfoort Principes" te koppelen aan een specifieke gebiedsontwikkeling kan de raad richting geven aan een ontwikkeling. Daarbij is maatwerk van belang en zal de gemeente per ontwikkeling haar rol moeten kiezen. Dit ontwikkelingsperspectief dient als ontwikkelings- en als toetsingskader voor de gemeente Amersfoort.
In de woonvisie Amersfoort 2011 – 2020 (vastgesteld 27 september 2011) staat beschreven met welk woonbeleid de gemeente aan de slag gaat. In de koers voor de nieuwe Structuurvisie Amersfoort 2030 is als ambitie vastgesteld dat Amersfoort zich verder ontwikkelt tot een duurzame, vitale stad met een centrumfunctie voor de regio. De kracht van Amersfoort zit in de goede mix van stedelijkheid en groene leefbare wijken, met een waardevol historisch centrum in een groene omgeving.
Programma voor de stad
De vraag naar wonen in Amersfoort is en blijft groot. Voldoende nieuwbouw is belangrijk om de doorstroming op gang te houden zodat er in alle segmenten van de markt woningen beschikbaar komen. Voldoende planologische ruimte voor de realisatie van gemiddeld 900 woningen per jaar.
Uitgangspunt voor het woningbouwprogramma vormen de uitbreiding van het centrumstedelijk woonmilieu, het versterken van de naoorlogse wijken en de verdere uitbouw van het groenstedelijk wonen in Vathorst. Naast de uitbreiding van het groenstedelijk woningaanbod in Vathorst (sterk gericht op gezinnen) en met de vernieuwingsopgave van Amersfoort Vernieuwt, ligt er een opgave in de uitbreiding van het aanbod centrumstedelijk wonen in Amersfoort. Hiermee wordt de positie als stedelijk hart van de regio versterkt.
De aanpak van Amersfoort Vernieuwt richt zich op het tegengaan van de veroudering van de voorraad en segregatie in de wijk. Daarnaast richt deze zich op het vasthouden van hogere- en middeninkomens in de wijken. Met de vernieuwingsslag van sloop, nieuwbouw, renovatie en verbetering van de kwaliteit van de openbare ruimte wordt ook de kans aangegrepen om voldoende geschikte woningen voor een brede doelgroep te realiseren en bewoners zo meer mogelijkheden te geven om binnen de wijk door te stromen. Het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing wordt ingezet ter dekking van lopende afspraken over de gemeentelijke bijdrage voor de (her)inrichting van het openbaar gebied bij sloop- en nieuwbouwprojecten.
Beschikbaarheid van woningen
De woonvisie blijft aandacht houden naar het aanbod van woonruimte voor woonconsumenten die zijn aangewezen op het sociale woningsegment. Daarbinnen is maatwerk nodig voor bijzondere doelgroepen die extra zorg en begeleiding nodig hebben. De gemeente maakt afspraken met de corporaties voor een nieuwe benadering waarbij de focus wordt gelegd op het aantal woningzoekenden dat aan een passende woning wordt geholpen. Het doel hiervan is de zoektijd van actief woningzoekenden te verlagen. Daarvoor krijgen de corporaties de ruimte om woningen te verkopen of te verhuren op een manier die aansluit op de behoefte van de groepen die zijn aangewezen op het sociale woningsegment. Dit maatwerk resulteert in een efficiënte inzet van de sociale voorraad.
Nieuwbouw in de sociale sector
De verwachting is dat de behoefte van het aantal huishoudens dat is aangewezen op het sociale segment de komende jaren op peil zal blijven. Om ook het gemiddelde jaarlijkse aanbod van woningen in het sociale segment op peil te houden zou de sociale woningvoorraad in omvang ook gelijk moeten blijven. Dat betekent dat in principe een gesloopte sociale huurwoning, de vrije verkoop van sociale huurwoningen of een huurverhoging naar de vrije sector gecompenseerd moet worden door nieuwbouw in de sociale sector. Corporaties geven aan dat er momenteel financieel beperkt ruimte is voor groei van de sociale huurvoorraad. De financiering van nieuwe sociale woningen zal betaald moeten worden uit de verkoop van huurwoningen en uit de herontwikkeling van locaties waar sociale huurwoningen zijn gesloopt. Buiten een mogelijke korting op de grondkosten (die in de grondexploitatie wordt gefinancierd uit de opbrengsten van de vrijesectorwoningen) zijn er geen gemeentelijke- of rijkssubsidies voor sociale woningbouw.
Speciale aandacht blijft uitgaan naar de huishoudens die door een lager inkomen zijn aangewezen op het sociale segment. Verschillende partijen en maatschappelijke instellingen richten zich op de huisvesting en zorg voor deze groepen. Aan deze partijen wordt de ruimte gelaten om met hun kennis en ervaring tot de best passende oplossing te komen voor deze doelgroepen.
Functiemenging van wonen en werken
Functiemenging past binnen de stedelijke dynamiek en de veranderende woonwensen. De vervlechting van wonen en werken is terug te zien in alle stedelijke woonmilieus, maar met verschillende accenten. Dit is ook de lijn in Visie Werklocaties waar bij werkfuncties een verschuiving zichtbaar is van grootschaligheid naar kleinschaligheid en van formele locaties (kantoor- en bedrijfsterreinen) naar informele locaties (gemengde zones en woonwijken). Functiemenging kan op verschillende schaalniveaus gestalte krijgen: binnen de woning, in de straat, in de buurt, in delen van de stad. De mate van stedelijkheid speelt een rol bij de kansen voor combinaties van wonen en werken. Functiemenging draagt bij aan de reuring, sociale veiligheid, levendigheid en afwisseling in de woonomgeving.
Regeling bedrijven en beroepen aan huis
Begin 2010 zijn de mogelijkheden voor beroepen en bedrijven aan huis verruimd. De regeling beroepen en bedrijven aan huis geldt voor de hele stad. Het is onder voorwaarden toegestaan om aan huis een bedrijf te hebben met maximaal drie werkzame personen (eigenaar/bewoner en twee werknemers). Voor het grootste deel van de stad wordt hiermee in de mogelijkheden voorzien die er voor functiemenging zijn. Deze regeling is bedoeld om kleinschalige bedrijvigheid gekoppeld aan de woonfunctie in woongebieden mogelijk te maken, waarbij het woon- en leefklimaat behouden blijft.
Verkeer- en vervoerplan 2005
Het gemeentelijk beleid is gericht op het realiseren van een doelmatig verkeer- en vervoerssysteem voor alle vervoerswijzen om de bereikbaarheid in en van Amersfoort te waarborgen. Daarbij worden sluipverkeer en doorgaand verkeer geweerd en de verkeersveiligheid en leefbaarheid verbeterd. Stilstaand verkeer is slecht voor de luchtkwaliteit. Met de toenemende ontwikkelingen in de stad ligt hier een opgave om een efficiënt verkeer- en vervoerssysteem in te richten voor alle modaliteiten. De gemeente wil de beschikbare verkeersruimte op het wegennet optimaal gaan benutten. Dit houdt in dat gekeken wordt naar een slimmere indeling van bestaande rijstroken en ook, waar dit winst voor de totale afwikkeling oplevert, extra opstelstroken op kruispunten met verkeerslichten worden toegevoegd.
Verkeer- en vervoerplan 2030
In 2011 is er een visie voor het verkeer en vervoerplan opgesteld, die het college nu heeft vastgesteld. De gemeente wil vervolgens samen met onder andere de bewoners in de stad, de visie uitwerken tot een definitief Verkeer- en Vervoerplan 2030.
In het definitieve Verkeer- en Vervoerplan is er in ieder geval aandacht voor verkeersveiligheid en de keuzevrijheid van hoe wel willen reizen. Daarnaast investeert de gemeente de komende jaren veel in de bereikbaarheid van de stad en de regio. Dat gebeurt samen met buurgemeenten, de provincie en het Rijk in het samenwerkingsverband VERDER.
Amersfoort wil ook in de toekomst een stad zijn waar je fijn kunt leven. Een stad waarin inwoners zich gemakkelijk bewegen en waar de overlast van mobiliteit beperkt is. Dit betekent dat mobiliteit moet worden afgestemd op de wensen van de gebruiker en dat alternatieve en innovatieve mogelijkheden op het gebied van verkeer en vervoer nader moeten worden aangeboden en gestimuleerd. Iedere wijk in de stad is uniek en daarom is een gebiedsgerichte aanpak het meest passend.
Bij het uitwerken van de visie op verkeer en vervoer gaat het niet om mobiliteit als een op zichzelf staand thema, maar om de combinatie met toekomstige ontwikkelingen op het gebied van economie, ruimte, wonen en duurzaamheid.
In de nota parkeernormen Amersfoort 2009 zijn specifieke parkeernormen geformuleerd voor diverse functies. Ze geven een indicatie van het aantal auto's dat bij een bepaalde functie geparkeerd wordt in een bepaalde tijdsperiode. De normen worden gebruikt voor nieuwbouwsituaties of bij functiewijzigingen, waarvoor een vergunning of ontheffing dient te worden verkregen. In de parkeernormen wordt rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen in het autobezit. Vanuit de hoofddoelstelling uit het parkeerbeleidsplan ‘bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit van de openbare ruimte en de leefbaarheid is het van belang dat er strikte bepalingen worden gehanteerd ten aanzien van parkeren. Parkeren moet indien mogelijk zoveel mogelijk op eigen terrein plaatsvinden zodat een ontwikkeling niet of zo min mogelijk zorgt voor extra parkeerdruk in het openbaar gebied. De belangrijkste voorwaarde is dan ook dat het aantal parkeerplaatsen volgens de norm moet worden aangelegd. Hiervoor zijn in Nota Parkeernormen Amersfoort normen opgenomen per type voorziening. In het parkeerbeleidsplan is tevens aangegeven dat bij het opstellen van parkeerbalansen rekening wordt gehouden met de mogelijkheid tot meervoudig gebruik van parkeerplaatsen.
Voor de parkeerbehoefte voor de Ariaweg-noord moet in principe - net als voor ieder ander project - worden voldaan aan de normen uit de Nota Parkeernormen 2009. Het aantal parkeerplaatsen per woning is afhankelijk van de grootte van de woning. Binnen die norm is 0,3 parkeerplaats bestemd voor bezoek. De parkeerruimte voor bezoek mag op eigen terrein liggen, maar moet openbaar toegankelijk zijn.
Voor de ontwikkelingen in dit plangebied is voor het parkeren voor de bestaande woningen gebruik gemaakt van maatwerk. Voor de nieuwe woningen moet wel aan de bovenstaande parkeernormen worden voldaan. Meer hierover staat in hoofdstuk 3.3.2.
Volgens de Woningwet moeten bouwwerken waarvoor een vergunning nodig is, voldoen aan 'redelijke eisen van welstand'. Welke eisen dit zijn, heeft de gemeente vastgesteld in de Welstandsnota. Het doel van de nota is om zoveel mogelijk vrijheid te geven om bouwplannen uit te voeren maar daarnaast de stad haar eigen karakter laten behouden en zo mogelijk te versterken. Daarbij wordt gestreefd naar een goede balans tussen individueel belang en algemeen belang.
Voor de Ariaweg-noord is een stedenbouwkundig- en beeldkwaliteitplan opgesteld. De gemeenteraad heeft dit plan op 31 maart 2015 vastgesteld. Met het beeldkwaliteitsplan doet de gemeenteraad een aanvulling op de welstandsnota. Na vaststelling door de gemeenteraad worden de nieuwe welstandscriteria onderdeel van de welstandsnota.
Het prostitutiebeleid van de gemeente Amersfoort is vastgelegd in de Nota prostitutiebeleid gemeente Amersfoort (vastgesteld door de gemeenteraad op 26 september 2000). In deze nota is bepaald, dat er maximaal zeven seksinrichtingen in Amersfoort kunnen worden gevestigd. In verband met het stedelijke karakter, de groei van de gemeente en de centrumfunctie die Amersfoort voor de regio heeft, werd een verruiming van vijf naar zeven verantwoord geacht.
In het facetbestemmingsplan 'Gebruiksbepalingen en seksinrichtingen' van de gemeente Amersfoort is voor alle geldende bestemmingsplannen een verbod opgenomen voor het gebruik van gronden en/of bouwwerken als of ten behoeve van een seksinrichting. Bij elke volgende bestemmingsplanherziening is dit overgenomen. De bestaande seksinrichtingen zijn positief bestemd en daarmee gelegaliseerd. De gemeente heeft zich bij de afweging om de inrichtingen te legaliseren laten leiden door volgende ruimtelijke aspecten:
Ook in de regels van het voorliggende bestemmingsplan is een verbod opgenomen (in artikel 13 van de regels) voor het vestigen van een seksinrichting. Deze keuze is gebaseerd op het bovengenoemde beleid. Seksinrichtingen hebben vanwege hun uitstraling en openingstijden immers een ruimtelijke impact op de omgeving die zich onderscheid van overige bedrijven.
In dit hoofdstuk wordt de gebiedsvisie op het plangebied beschreven. De tekst in dit hoofdstuk komt grotendeels uit het Stedenbouwkundig Plan en Beeldkwaliteitsplan Ariaweg Noord, Amersfoort
Luchtfoto bestaande situatie
Schuilenburg noord
De stedenbouwkundige opzet van Schuilenburg Noord is eenvoudig en tamelijk ruim van opzet met de groengordel Schuilenburg aan de buitenzijde van de wijk. De ontsluiting vindt plaats via de Operaweg, Schuilenburgerweg en de Mendelssohnstraat.
Ten westen van de Operaweg wordt de structuur bepaald door laagbouw in stempelverkavelingen met daartussen een groene geleding met voorzieningen. Langs de Hogeweg en ten oosten van de Operaweg domineert de (middel-)hoogbouw en is er sprake van stroken- en hovenverkaveling.
De Operaweg is een belangrijke structuurlijn. De laagbouw staat haaks op deze weg. Incidenteel functioneert de middelhoogbouw aan de oostzijde als begeleiding. Hoewel de Operaweg een belangrijke plaats inneemt binnen de wijk, liggen er relatief weinig adressen aan. Met name door de haaks op de weg staande laagbouw is de inbedding in de wijk matig. Aan de Operaweg ligt het winkelcentrum Operaplein, het voorzieningenhart van dit deel van de wijk Schuilenburg. Ook de ABC-school heeft een prominente plek aan de Operaweg gekregen. Ten zuidoosten van het plangebied liggen gerenoveerde portiek- en galerijflats aan de Ariaweg van de Alliantie. De begane grondverdieping is meer transparant gemaakt, energetische maatregelen zijn getroffen en de gevel is gewijzigd. De woningen hebben een collectieve schotel, de gevels en het schilderwerk zijn gemoderniseerd. De transparantere begane grond verdieping maakt het gebied overzichtelijker en prettiger voor de beleving. Ook de omliggende openbare ruimte is heringericht. De groene kwaliteiten van de groengordel Schuilenburg zijn meer de wijk binnen gehaald en parkeervoorzieningen zijn netjes ingericht. Er is een kwaliteitsslag gemaakt.
Openbare ruimte in het plangebied
De Operaweg en Ariaweg lopen grotendeels parallel. De Ariaweg is ingericht als 30-km zone door middel van drempels. Langs de Ariaweg liggen overgedimensioneerde parkeervelden. Deze inrichting zorgt voor veel verharding. In de woonbuurt is weinig groen aanwezig. Galerijflats aan de Ariaweg staan op ruime afstand van de weg. De voorterreinen van de te renoveren flats aan de Ariaweg zijn met eenvoudige materialen verhard. Aan de achterzijde (zijde groengordel Schuilenburg) zijn een weg, parkeerstrook en garageboxen aanwezig. Van deze parkeerstrook wordt vrijwel geen gebruik gemaakt wegens onoverzichtelijkheid van het gebied. In algemene zin is de openbare ruimte “stenig”. Opvallend is dat – ook bij mooi weer – weinig mensen in de openbare ruimte verblijven.
Seniorenwoningen
De seniorenwoningen en het tussenliggende blok aan de Tenorplaats staan haaks op de Ariaweg en Operaweg (kopgevels). De woningen hebben 1 laag met een kap, waardoor het contrast met de omliggende galerijflats (7 verdiepingen) groot is. De woningen staan “kop-staart”-georiënteerd, zonder tussengelegen openbare ruimte, wat kans op ontmoeting beperkt.
Bestaand vastgoed Ariaweg
De bestaande galerijflats aan de Ariaweg worden ontsloten vanaf de Ariaweg. Er is geen functionele relatie met de groengordel Schuilenburg. De begane grondvloer is niet bewoond (4 garages, bergingen, entree) en niet transparant. Individuele schotels, wasgoed, verschillende soorten zonwering, en de kleurstelling van het schilderwerk geven de flats een rommelige uitstraling. De woningen in de flats hebben een goede plattegrond en kunnen energetisch worden verbeterd.
De 3 bestaande galerijflats, met in totaal 126 woningen, worden gerenoveerd. De 20 bestaande seniorenwoningen worden gesloopt en maken plaats voor 30 nieuwe grondgebonden woningen. Het stedenbouwkundig plan voor deze ontwikkeling is op de onderstaande afbeeldingen weergegeven.
Het streven is om in de wijk meer diversiteit in het woningaanbod te creëren. Door seniorenwoningen aan de Operaweg en Ariaweg te slopen en eengezinswoningen terug te bouwen in de koop en huur, wordt de leefbaarheid in de wijk vergroot. Er ontstaan zo meer mogelijkheden voor bewoners die wooncarrière willen maken in de wijk. De nieuw te bouwen woningen verbeteren bovendien de begeleiding van de Operaweg.
Naast het creëren van meer diversiteit in de wijk zorgt renovatie van bestaande woningen voor een verbeterde woningkwaliteit en meer wooncomfort. Ook de begane grond van de flats wordt aangepakt, waardoor er een betere relatie met de omgeving ontstaat.
Het verkavelingsplan voor het plangebied Ariaweg Noord neemt bestaande ruimtelijke structuren als uitgangspunt en versterkt deze. De structuur laat zich lezen als een ladder: de Operaweg als hoofdstraat en de Ariaweg als woonstraat gevormd door de laanbeplanting; daartussen vormen drie sporten de dwarsverbindingen tussen de wijk en de groengordel Schuilenburg / het Waterwingebied.
De noordelijke sport verbindt de Ariaweg met de Operaweg, ook voor autoverkeer, en vormt de verbinding met het Buurtplein aan de schuilenburgzijde van het Hogekwartier.
De Tenorplaats vormt de middelste sport: een doorsteek voor voetgangers in het verlengde van de Romeostraat.
De zuidelijke sport is de voetgangersdoorsteek van het Operaplein. Deze verbindt onrechtstreeks het groene hart van Schuilenburg met het Waterwingebied.
Dit raamwerk van openbare ruimte definieert twee deelgebieden. Het noordelijk gebied is een woonblok met eengezinswoningen, dat aansluit op de kleinschalige woningbouw in de omgeving. Het tweede deelgebied bestaat uit drie flatgebouwen aan de Ariaweg die worden behouden en gerenoveerd.
De bebouwing dient een actieve relatie aan te gaan met de openbare ruimte, met name de Operaweg en de Ariaweg. Nieuwbouw wordt daartoe evenwijdig aan de straat ingepland en vormt de straatwand. Dit in tegenstelling tot de huidige bebouwing in het plangebied die haaks op de Operaweg en de Ariaweg staat.
De woningen langs de Operaweg en de Ariaweg zijn twee bouwlagen hoog, waarbij op de koppen een accent met een derde bouwlaag of een bijzondere kapvorm mogelijk is.
Verkeersontsluiting
De verkeerskundige structuur in het plangebied wijzigt niet. De Ariaweg (30km-zone) is de ontsluiting van de nieuwe en bestaande woningen en de bijbehorende parkeervoorzieningen.
Via de Ariaweg wordt het verkeer naar de Operaweg geleid en dan verder de wijk in of naar de Hogeweg. De Operaweg blijft 50km-weg.
Per saldo komen er in het plangebied 10 woningen bij. Dat leidt tot een marginale toename van de hoeveelheid autoverkeer die prima door de Ariaweg en Operaweg kan worden verwerkt.
Parkeren
In het plangebied liggen momenteel 146 woningen (126 appartementen en 20 seniorenwoningen).
Ook de 8 koopwoningen van de Tenorplaats parkeren in het plangebied.
In de nieuwe situatie vervallen de 20 seniorenwoningen. Daarvoor in de plaats komen 30 nieuwe woningen.
Voor de nieuw te bouwen woningen is de Nota Parkeernormen 2009 van toepassing en geldt een parkeernorm van 1,7 parkeerplaats per woning.
Voor de bestaande te handhaven woningen geldt geen (nieuwe) parkeernorm. Om te kunnen beoordelen hoeveel parkeerplaatsen er in de nieuwe situatie terug moeten komen voor de bestaande woningen, is in februari 2016 een parkeeronderzoek uitgevoerd (zie bijlage1)
Uit dit onderzoek bleek dat er op piektijden 90 auto's geparkeerd stonden. Op basis van dit onderzoek wordt dit aantal vastgesteld als de parkeerbehoefte van de bestaande woningen in het gebied (exclusief de te slopen woningen). Om eventuele toekomstige groei en pieken op te kunnen vangen moet er bovenop die 90 parkeerplaatsen nog 20% extra (= 18 parkeerplaatsen) aan bufferruimte worden gerealiseerd.
In het concept inrichtingsplan worden 10 bestaande garageboxen ontoegankelijk voor auto's. Die parkeerruimte moet worden gecompenseerd. In de Nota Parkeernormen telt een garagebox als 0,5 parkeerplaatsen, dus voor de 10 op te heffen boxen moeten 10 x 0,5 = 5 parkeerplaatsen gecompenseerd worden. Als het inrichtingsplan nog wijzigt, en de boxen blijven bereikbaar, dan hoeven ze uiteraard niet te worden gecompenseerd.
Het totaal te realiseren parkeerplaatsen komt daarmee op:
30 nieuwbouwwoningen x 1,7 parkeerplaatsen = 51 parkeerplaatsen
Voor de bestaande woningen 90 + 20% parkeerplaatsen = 108 parkeerplaatsen
Compensatie garageboxen 10 x 0,5 parkeerplaatsen = 5 parkeerplaatsen
Totaal = 164 parkeerplaatsen
In het stedenbouwkudnig plan zijn 209 parkeerplaatsen ingetekend. Er kan dus geconcludeerd worden dat binnen de bestemming 'Verkeer-verblijfsgebied' (ruim) voldoende ruimte is om de parkeerbehoefte te realiseren. In een nog nader uit te werken inrichtingsplan wordt hier verder vorm aan gegeven.
In dit hoofdstuk worden de omgevingsaspecten besproken die van belang zijn voor het bestemmingsplan. Vanwege de beperkte ontwikkeling ten opzichte van de geldende planologische mogelijkheden is ook de omvang van dit hoofdstuk beperkt.
De aspecten water, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodem, geluid, flora en fauna en archeologie komen aan de orde.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet de zogenaamde watertoets uitgevoerd worden. Hierbij moeten de initiatiefnemer en de waterbeheerder overleg voeren over de wateraspecten die verband houden met de voorgenomen ontwikkeling. Naast de watertoets spelen de volgende beleidslijnen een belangrijke rol:
De Europese Kaderrichtlijn Water gaat er vanuit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn is daarop gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater. Dat moet ertoe leiden dat: aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed; verbetering van emissies; duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn; er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater.
Het Nationale Waterplan (NWP) is de opvolger van de vierde nota waterhuishouding en geeft het kader voor het waterbeheer voor Nederland, nu en in de toekomst. Het NWP is het rijksplan voor het waterbeleid. het NWP beschrijft de maatregelen die in de periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor de toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Het Provinciaal Waterplan 2010-2015 is mede kader voor de wijze waarop omgegaan wordt met water in het plangebied. De doelstelling van het plan is: een veilig en bewoonbaar land. Het plan geeft de gewenste ontwikkelingen in het waterbeheer in de provincie Utrecht aan. Hierbij is rekening gehouden met de Europese kaderrichtlijn water en het beleid Waterbeheer 21e eeuw (WB21). Het thema "water als ordenend principe" loopt als een rode draad door het gehele plan. Dit houdt in dat, voordat er beslissingen worden genomen op ruimtelijk gebied,er wordt bekeken welke gevolgen die hebben voor watersystemen.
In het Waterbeheersplan 2010 - 2015 heeft Waterschap Vallei & Veluwe zijn ambities en uitvoeringsprogramma vastgelegd voor de periode 2010 tot en met 2015. Het plan bepaalt in grote lijnen de agenda van Waterschap Vallei & Veluwe voor de komende zes jaar. Dit plan is mede kader voor de wijze waarop omgegaan wordt met water in het plangebied.
Het Waterplan Amersfoort 2005-2015 is het kader voor integraal en duurzaam waterbeheer in Amersfoort. Het plan is gezamenlijk opgesteld door de Gemeente Amersfoort, Waterschap Vallei & Eem en Vitens Midden-Nederland. Het Waterplan Amersfoort is gebaseerd op een integrale beschouwing van het systeem van oppervlaktewater, ondiep grondwater en de waterketen vanaf de inzameling van afvalwater tot en met de zuivering van afvalwater.
Aan de hand van drie streefbeelden wordt geschetst hoe het waterbeheer er in 2030 uit zou moeten zien: water met allure, water van de wijk en water voor natuur. Het gaat hierbij met name om het oppervlaktewatersysteem en het ondiepe grondwater en de interactie tussen de waterketen en het oppervlaktewatersysteem.
De afgelopen planperiode 2007-2011 werden de 'Wet gemeentelijke watertaken' en de Waterwet van kracht. Met deze wetten zijn de gemeentelijke watertaken verbreed en hebben gemeenten de zorgtaak gekregen voor het:
De beleidsmatige invulling van deze (verbrede) gemeentelijke watertaken wordt vastgelegd in het wettelijke verplichte gemeentelijke rioleringsplan (Wet milieubeheer, artikel 4.22), daarom ook wel het 'verbreed gemeentelijke rioleringsplan' genoemd.
Bij ruimtelijke plannen geldt vanaf 1 november 2003 de wettelijke verplichting van een waterparagraaf/watertoets. De watertoets is één van de pijlers van het Waterbeleid voor de 21 eeuw, waarin aan water een meesturende rol in de ruimtelijke ordening is toegekend. Met de watertoets wordt beoogd waterbeheerders vroegtijdig in het ruimtelijke ordeningsproces te betrekken. De watertoets betreft het hele proces van informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van een waterparagraaf is een samenhangend beeld te geven van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met duurzaam waterbeheer en de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het voorkomen van negatieve effecten op de waterhuishouding staat bij de watertoets voorop. Dan pas komen inrichtingsmaatregelen en compensatie in beeld.
Water in dit bestemmingsplan
In dit bestemmingsplan is geen oppervlaktewater aanwezig.
Hemelwater
Het is van belang dat het grondwater wordt beschermd tegen vervuiling, ook in stedelijk gebied. Om hieraan bij te dragen mogen er bij de ontwikkeling van het plangebied Ariaweg-Noord geen uitloogbare materialen worden gebruikt zoals koper, lood, zink en geïmpregneerd hout op plekken waar die met regenwater in aanraking kunnen komen.
Het regenwater in het plangebied moet zoveel mogelijk worden verwerkt op eigen terrein, bijvoorbeeld door infiltratie in de bodem. Alleen als dit niet mogelijk is, (i.v.m. de hoge grondwaterstand wordt dit lastig) moet het gescheiden worden aangeboden op het gemeentelijke riool.
Grondwater
Het project Ariaweg Noord wordt gebouwd in een gebied dat gevoelig is voor wateroverlast. De grondwaterstand varieert tussen de +- 0,3 en 1,0 meter beneden maaiveld. Onderzoek naar klimaatgevolgen heeft uitgewezen dat de grondwaterstand ten gevolge van klimaatontwikkelingen op verschillende locaties in Amersfoort nog zo'n 20 tot 30 cm gaat stijgen. In onderstaande figuur is het worst case scenario te zien voor Amersfoort.
Voor nieuwe ontwikkelingen geldt dat deze zo moeten worden geordend en ingericht dat dit past bij de bestaande grondwaterstanden. Om problemen door grondwateroverlast in de toekomst te voorkomen moeten eventuele kelders en parkeergarages tot aan maaiveld waterdicht zijn. Voor de ontwikkeling van de Ariaweg-Noord adviseren wij om kruipruimteloos te bouwen, dit i.v.m. de hoge grondwaterstand. Daarnaast is het van belang om in de openbare weg drainage aan te leggen.
Riolering
In de Ariaweg is een gescheiden rioolsysteem aanwezig. Het water dat aangevoerd wordt vanaf het plangebied moet gescheiden aangeboden worden op het gemeentelijk rioleringsysteem.
Compensatie
In de huidige situatie is een er verhard oppervlak van ongeveer 17000m2. De nieuwe ontwikkeling geeft een verhard oppervlak van ongeveer 15000m2. Er is dus sprake van een afname van verhard oppervlak. Om deze reden is er geen watercompensatie nodig.
De 'Wet luchtkwaliteit' is opgenomen in de Wet milieubeheer onder hoofdstuk 5, titel 2. De kern van de Wet luchtkwaliteit bestaat uit luchtkwaliteitseisen voor de buitenlucht die in bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn vastgelegd. Uit de Wet volgt dat een voorgenomen ontwikkeling vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit inpasbaar is indien in ieder geval aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Ad. 1
De relevante stoffen ten gevolge van wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De bijbehorende grenswaarden zijn weergegeven in tabel X. Doorslaggevend voor de beoordeling van NO2 is de jaargemiddelde concentratie. Voor PM10 is de 24-uurgemiddelde concentratie het meest kritisch.
Tabel: Meest relevante grenswaarden luchtkwaliteit
| Stof | Te toetsen grootheid | Grenswaarde (mg/m3) |
Geldig vanaf | ||
| NO2 |
Jaargemiddelde concentratie | 40 mg/m3 | 2015 | ||
| PM10 | Aantal dagen per jaar met een overschrijding van de etmaalgemiddelde concentratie van 50 mg/m3 | 35 dagen | 2011 | ||
Ad. 3
Regeling NIBM geeft voor een aantal categorieën van projecten een (getalsmatige) invulling aan de NIBM-grens. Eén van die categorieën is bijvoorbeeld woningbouwlocaties. Indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvat, dan wel in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer bedraagt dan 3000 woningen dan is er sprake van een NIBM project.
Indien een voorgenomen ontwikkeling binnen de begrenzing van de Regeling NIBM valt is verdere toetsing aan de grenswaarden niet nodig mits de voorgenomen ontwikkeling niet valt onder het Besluit gevoelige bestemmingen.
In het Besluit NIBM is een anticumulatiebepaling opgenomen, die het 'opknippen' van projecten moet tegengaan. Projecten moeten als één locatie worden beschouwd als ze a) gebruikmaken van dezelfde ontsluitingsinfrastructuur en b) binnen 1000 meter van elkaar liggen. Projecten waarvan de toename van de concentraties ter plaatse niet meer bedraagt dan 0,1 µg/m3 kunnen buiten beschouwing blijven.
Binnen het plangebied worden 20 woningen gesloopt en 30 nieuwe woningen gebouwd. Er komen dus 10 extra woningen ten opzichte van de huidige situatie, waarmee dit project aangemerkt kan worden als zijnde 'niet in betekenende mate'.
Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen in de directe omgeving lopen als gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt en transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven.
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
- bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
- vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door leidingen.
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor bedrijvigheid staat dit in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat dit in de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Zowel in het besluit als in de circulaire zijn de centrale begrippen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken ) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur.
Het groepsrisico (GR) drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De normen voor het GR hebben een oriënterende waarde (inspanningsverplichting). Indien de oriënterende waarde voor het GR wordt overschreden, legt dit in het algemeen ook ruimtelijke beperkingen op aan een gebied buiten de 10-6-contour (PR).
Op 1 april 2015 is het Basisnet in werking getreden. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen. Voor Amersfoort zijn de snelwegen en spoorwegen van belang.
Het Basisnet heeft als doel een evenwicht te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen en de bebouwde omgeving die hier langs ligt en de veiligheid van omwonenden. Het Basisnet stelt aan de ene kant regels aan het vervoer van gevaarlijke stoffen en geeft aan de andere kant aan welke beperkingen gelden in het gebied rond de betreffende routes. Zo wordt aan iedereen die dicht bij deze snelwegen en spoorwegen woont of verblijft een basisbeschermingsniveau geboden.
Voor elke basisnetroute is een zogenaamde risicoruimte en een zone met ruimtelijke beperkingen vastgesteld. Door het vastleggen van de risicoruimte wordt het vervoer van gevaarlijke stoffen gebonden aan een maximaal risico, zowel ten aanzien van het plaatsgebonden risico als het groepsrisico. Bij ruimtelijke afwegingen voor nieuwe bestemmingen moet rekening gehouden worden met de externe veiligheidsrisico's die behoren bij een volledig gebruik van de risicoruimte. De risicoruimte fungeert daardoor enerzijds als een plafond voor de toegestane groei van de risico's van het vervoer van gevaarlijke stoffen en anderzijds als een gebied waarbinnen beperkingen gelden voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
De "Wet Basisnet" is een heel stelsel van wetten en regels. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen (Wvgs) de belangrijkste wet. Hierin staan de risiconormen en de regels voor de beheersing van het risico van het vervoer. Voor ruimtelijke ordening in relatie tot de transportroutes is er het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Hierin wordt het basisbeschermingsniveau gewaarborgd en wordt geregeld hoe de afweging moet worden gemaakt over het toelaten van ruimtelijke ontwikkelingen. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling.
In nieuwe situaties geldt voor het plaatsgebonden risico een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten op een niveau van 10-6 per jaar. Indien een locatie in het invloedsgebied van een transportroute ligt moet het groepsrisico volgens artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes worden verantwoord. Indien de locatie hiernaast binnen 200 meter van een transportroute ligt moet het groepsrisico uitgebreid worden verantwoord volgens artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes.
Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).
Voor het plangebied is beoordeeld of er sprake is van activiteiten met gevaarlijke stoffen in en in de omgeving van het plangebied, die mogelijk risico's zouden kunnen opleveren. Meer specifiek is gekeken naar de aanwezigheid van bedrijven die zijn aangewezen in het BEVI, waaronder LPG-tankstations, transportroutes over weg, spoor en water en door leidingen.
De nieuw te bouwen woningen bevinden zich op een afstand van meer dan 300 meter vanaf de A28 en op circa 95 meter vanaf het eindpunt van de hoge druk aardgasleiding aan de Hogeweg. Voor zowel de A28 als de buisleiding geldt dat de woningen buiten de 10-6-contour voor het plaatsgebonden risico liggen.
Uit eerdere risicoberekeningen voor onder andere het bestemmingsplan Amersfoort Oost blijkt dat de nieuw te bouwen woningen ten dele binnen het invloedsgebied van de buisleiding (W-520-05) liggen. Voor deze buisleiding is een groepsrisico van 9 *10-11 berekend bij 13 slachtoffers. In dit plan worden 20 woningen gesloopt en 30 nieuwe woningen gerealiseerd. Het is onwaarschijnlijk dat de 10 extra woningen op de rand van het invloedsgebied zorgen voor een toename van meer dan 10% van het groepsrisico. Zodoende is uitsluitend een beperkte verantwoording noodzakelijk conform artikel 12 van het Bevb.
Verantwoording groepsrisico buisleiding
Artikel 12 besluit externe veiligheid buisleidingen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op grond waarvan de aanleg van een buisleiding of de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object wordt toegelaten, wordt tevens het groepsrisico in het invloedsgebied van de buisleiding verantwoord. In de toelichting bij het besluit wordt vermeld:
a. de aanwezige en de op grond van het besluit te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied van de buisleiding of buisleidingen die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken;
b. het groepsrisico per kilometer buisleiding op het tijdstip waarop het besluit wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de lijn die de kans weergeeft op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-4 per jaar en de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-6 per jaar;
c. indien mogelijk, de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die worden toegepast door de exploitant van de buisleiding die dat risico mede veroorzaakt;
d. andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan;
e. de mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst;
f. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval;
g. de mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de buisleiding of buisleidingen die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken, om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet.
Ad. a) Voor de bevolkingsgegevens van de omgeving van het plangebied verwijzen we naar eerdere berekeningen in het kader van het bestemmingsplan Amersfoort Oost. De daarin gebruikte bevolkingsgegevens zijn digitaal in te zien bij de RUD Utrecht. In dit plan worden 20 woningen gesloopt en 30 nieuwe woningen gerealiseerd. Hiermee worden ongeveer 50 personen toegevoegd.
Ad. b) In eerdere risicoberekeningen voor onder andere het bestemmingsplan Amersfoort Oost is een groepsrisico van 9 *10-11 berekend bij 13 slachtoffers.
Ad. c) n.v.t.
Ad. d) n.v.t.
Ad. e) n.v.t.
Ad. f) Het ziekenhuis Meander bevindt zich hemelsbreed op 3,2 kilometer vanaf het plangebied. De brandweerpost aan de Kleine Koppel bevindt zich op circa 2,4 kilometer vanaf het plangebied.
Ad. g) Er zijn voldoende vluchtmogelijkheden in tegenovergestelde richting van de buisleiding.
Aangezien het plangebied wel in het invloedsgebied van de A28 ligt maar op meer dan 200 meter afstand van de weg is hier ook alleen een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes.
Verantwoording groepsrisico rijksweg A28
Artikel 7 Besluit externe veiligheid transportroutes
In de toelichting bij een bestemmingsplan en in de ruimtelijke onderbouwing van een omgevingsvergunning wordt, voor zover het gebied waarop dat plan of die vergunning betrekking heeft binnen het invloedsgebied ligt van een weg, spoorweg of binnenwater waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval ingegaan op:
a. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en
b. voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet.
Ad. a) Het ziekenhuis Meander bevindt zich hemelsbreed op 3,2 kilometer vanaf het plangebied. De brandweerpost aan de Kleine Koppel bevindt zich op circa 2,4 kilometer vanaf het plangebied.
Ad. b) Er zijn voldoende vluchtmogelijkheden in tegenovergestelde richting van de A28.
Volgens het Bro zullen burgemeester en wethouders in verband met de uitvoerbaarheid van het plan onder meer een onderzoek verrichten naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging.
Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op daarvoor geschikte gronden te worden gerealiseerd.
De Wet Bodembescherming bevat de voorwaarden die kunnen en worden verbonden aan het verrichten van handelingen in of op de bodem. Primair komt bescherming en sanering in de wet aan bod. De wet heeft betrekking op zowel landbodems als waterbodems. De Wet bodembescherming geeft aan wanneer er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en of er dan ook gesaneerd moet worden.
De hoeveelheid grond dan wel grondwater (beide in m³) en de mate van vervuiling, gemiddeld boven de interventiewaarde, zijn de criteria voor een geval van ernstige bodemverontreiniging.
De interventiewaarde is de waarde, waarboven er risico’s zijn voor mens, flora en fauna. De spoedeisendheid, de noodzaak om te saneren, hangt hiervan af maar ook van de mate van verspreiding van de bodemverontreiniging.
Voor gevallen van ernstige bodemverontreiniging is er bij niet gewijzigd grondgebruik soms geen noodzaak tot saneren. Voorbeelden zijn voormalige stortplaatsen en kleine verontreinigingen in het diepere grondwater.
De gevallen van ernstige bodemverontreinigingen zijn door de Gemeente Amersfoort in beeld gebracht. In een aantal gevallen is in een beschikking Wet bodembescherming aangegeven wat er met een geval van ernstige bodemverontreiniging moet gebeuren. Nadat er is gesaneerd, kunnen er restverontreinigingen aanwezig zijn. Soms zijn er gebruiksbeperkingen.
In 2002 is een bodemkwaliteitskaart en een bodembeheerplan voor de gehele gemeente opgesteld. Op deze kaart ligt het bestemmingsplangebied “Ariaweg-noord” in een zone die op basis van de bodemkwaliteitskaart is gekwalificeerd als industrie.
Grondverzet kan plaatsvinden conform het Besluit Bodemkwaliteit.
Op basis van de bodemkwaliteitskaart is de te verwachten bodemkwaliteit kwaliteit industrie. Er zijn geen locaties in het gebied die op voorhand verdacht zijn voor het veroorzaken van bodemverontreiniging. Bij de aanvragen omgevingsvergunning voor het bouwen zal vooraf bodemonderzoek plaats moeten vinden.
De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor- ) wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd dient te worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten.
Bij vaststelling van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van de Wgh aan de orde:
De Wgh werkt met een systeem van voorkeursgrenswaarden en maximaal toegestane geluidsbelastingen. Indien een voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, kan onder bepaalde voorwaarden een hogere grenswaarde worden vastgesteld. Hierbij mag de geluidsbelasting nooit hoger zijn dan de maximaal toegestane geluidsbelasting. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort.
Per 1 juli 2012 is Swung 1 in werking getreden. Het gaat om een wijziging van de Wet milieubeheer die onder andere heeft geresulteerd in de invoering van geluidsproductieplafonds voor rijksinfrastructuur (rijkswegen en spoorwegen). Een geluidsproductieplafond geeft de toegestane geluidsproductie (geluidwaarde in Lden) vanwege een weg of spoorweg aan. Geluidsproductieplafonds gelden op referentiepunten langs rijkswegen en spoorwegen. De ligging van de referentiepunten, de grenswaarden en de bijbehorende gegevens zijn opgenomen in een openbaar, elektronisch toegankelijk geluidsregister. De wegbeheerders (Rijkswaterstaat en Prorail) moeten aan de grenswaarden op de referentiepunten voldoen en dat jaarlijks aantonen.
De nieuwe regels zijn, wat de rijksinfrastructuur betreft, in plaats gekomen van de regels in de Wet geluidhinder omtrent de aanleg en reconstructie van een weg en de aanleg of wijziging van een spoorweg. Bij bouwen langs rijkswegen en spoorwegen blijft de Wet geluidhinder gelden, maar moet bij de berekening van de geluidsbelasting gebruik gemaakt worden van de brongegevens uit het register. Ook op decentraal beheerde wegen en spoorwegen blijft de Wet geluidhinder van toepassing.
In de Wgh is bepaald dat elke weg van rechtswege een geluidszone heeft (Wgh art. 74 lid 1). Een uitzondering hierop zijn wegen die zijn gelegen in een 30 km/uur-zone of in een woonerf. De breedte van de geluidszones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van een weg (zie tabel).
Tabel: zones langs wegen
| aantal rijstroken | zonebreedte (meter) | |
| stedelijk gebied | 1 of 2 | 200 |
| 3 of meer | 350 | |
| buitenstedelijk gebied | 1 of 2 | 250 |
| 3 of 4 | 400 | |
| 5 of meer | 600 |
In geval van een nieuwe of gewijzigde weg of nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen is akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen.
De voorkeursgrenswaarde voor geluidsgevoelige bestemmingen bedraagt in de meeste gevallen 48 dB (Lden). De maximaal toegestane geluidsbelasting bedraagt 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie.
Spoorwegen hebben een zone, waarvan de breedte afhankelijk is van de hoogte van het geluidsproductieplafond. In artikel 1.4 van het Besluit geluidhinder is de breedte van de zone aangegeven. De zonebreedte varieert van 100 tot 1.200 meter. Bij ontwikkelingen rond geluidsgevoelige bestemmingen in de zone of wijzigingen aan de spoorlijn moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen.
De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 55 en 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie.
Rondom industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers, is op grond van art. 41 van de Wgh een geluidszone vastgesteld. In geval van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone of een wijziging aan het industrieterrein of de geluidszone is een akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen.
De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 50 en 65 dB(A) (Letm), afhankelijk van de situatie. Buiten de zone mag de geluidsbelasting nooit meer dan 50 dB(A) (Letm) bedragen. Er dient te worden gewaarborgd dat deze waarde, en de eventuele vastgestelde hogere grenswaarden niet worden overschreden. Middels zogenaamd zonebeheer wordt daarvoor continu de totale vergunde geluidsbelasting vanwege het industrieterrein beheerd.
De gemeente heeft beleid opgesteld met betrekking tot het vaststellen van hogere grenswaarden (Geluidsnota gemeente Amersfoort, november 2008). Hierin zijn criteria en voorwaarden opgenomen die aan de hogere grenswaarde worden verbonden. In april 2015 is in ontwerp een geactualiseerde versie (Geluidsnota Amersfoort Wet geluidhinder) vastgesteld.
Voor de ontwikkeling van 30 eengezinswoningen nabij de Operaweg / Ariaweg is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Ariaweg Noord te Amersfoort, akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Alcedo bv. Rapportnummer 20144839.R01.V01, d.d. 28 april 2015, zie bijlage 2). Hierin is de geluidbelasting op de woningen onderzocht van wegverkeerslawaai vanwege de Operaweg, Hogeweg en de rijksweg A28. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de 30 km/uur-wegen in de omgeving meegenomen in het onderzoek.
Uit de resultaten blijkt dat de geluidsbelasting op de gevels van de nieuwe woningen ten gevolge van wegverkeerslawaai op de Operaweg ten hoogste 57 dB bedraagt (inclusief correctie conform artikel 110g Wgh). Hiermee wordt niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De maximaal toelaatbare grenswaarde van 68 dB wordt niet overschreden. De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai op de Hogeweg en de rijksweg A28 bedraagt respectievelijk ten hoogste 46 dB en 44 dB. Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De Ariaweg heeft een maximale snelheid van 30 km/uur en hoeft daarom niet getoetst te worden aan de Wet geluidhinder. De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai op de Ariaweg bedraagt ten hoogste 45 dB. Hiermee wordt wel voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.
Vanwege de geluidsbelasting door de Operaweg worden hogere waarden vastgesteld voor 15 woningen. Er wordt voldaan aan de voorwaarde uit het gemeentelijk geluidbeleid dat alle woningen een geluidluwe gevel hebben. Hiervoor moet wel een tuinmuur worden geplaatst bij woning 1, parallel aan de Operaweg, zoals aangegeven in onderstaande figuur.
Ten behoeve van de aanvraag van de bouwvergunning is een aanvullend akoestisch onderzoek noodzakelijk om aan te tonen dat het binnenniveau in de woningen ten gevolge van wegverkeerslawaai voldoet aan de eisen zoals opgenomen in het Bouwbesluit.
Een duurzaam project realiseren is de samenhang vinden op ruimtelijk, sociaal-cultureel, economisch en ecologisch vlak. De lange termijnopgaven, zoals klimaatbestendigheid, beheersing van de verkeersdruk en energieneutrale gebouwen moeten in zicht blijven.
Aandacht voor duurzaam en milieubewust bouwen in alle stadia van het ontwerp en bouwproces is belangrijk. Al vroeg in deze planfase moeten hierbij keuzes worden gemaakt. Concrete aandachtspunten zijn energie, het voorkomen van wateroverlast en GPR-gebouw.
Bij duurzaamheid is het verminderen van het verbruik van fossiele brandstoffen een van de meest urgente opgaves voor de komende jaren. Dit wordt onderschreven door de gemeente Amersfoort die ambitieus dit probleem wil aanpakken. Leidend tot een CO2-neutrale stad in 2030. De transitie van onze stad, die nu nog afhankelijk is van fossiele brandstoffen, vraagt om een aanpak, die alle betrokken partijen verbindt en helpt deze ambities te realiseren. De doelstelling van de Alliantie is het verbeteren van de energieprestatie van haar bestaande woningvoorraad om te voorkomen dat energiekosten en huurprijzen uit balans raken. De woonlasten van energetisch slechtere woningen zijn immers nog gevoeliger voor de verwachte prijsontwikkeling.
Door te investeren in een energiezuinigere woningvoorraad, zonder dat de huurprijzen teveel omhoog gaan, zorgt de Alliantie voor comfortabele, duurzame en ook op termijn betaalbare woningen voor onze huurders (Beleidskader: energie en duurzaamheid).
Het plan is om de galerijflats te renoveren tot gemiddeld Energielabel nivo B (in bewoonde toestand) wat een CO-reductie van 30% zal inhouden.
Naast de ontwerpeisen uit de Basiseisen worden controleerbare prestatieafspraken gemaakt over de duurzaamheid van gebouwen. De gemeente èn diverse partijen binnen Amersfoort hebben gekozen voor toepassing van het landelijke instrument GPR-Gebouw. Voor meer informatie over dit instrument, zie www.gprgebouw.nl. Voor de thema's Energie, Milieu, Gezondheid, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde wordt gemeten hoe een gebouw scoort een schaal van 0 tot 10. De gemeente heeft voor nieuwbouw een ambitie van GPR-gebouw per thema van minimaal 7,0 en voor het thema energie een hoger streefniveau van een score van minimaal 7,5 (vastgesteld beleid op 11-10-2011). Hiermee wordt deels invulling gegeven aan de ambitie van de gemeenteraad om als stad in 2030 CO2 neutraal te zijn en daarmee voldoen aan de kernwaarde duurzaamheid uit het coalitieakkoord.
Voor de bebouwing binnen het project Ariaweg-noord wordt gestreefd naar een GPR-score, zoals deze in het kader van Amersfoort Vernieuwt is (dan wel wordt) vastgesteld. In 2015 zijn de GPR -eisen tegelijkertijd met het verlagen van EPG- norm aangescherpt.
Het realiseren van groene daken (vegetatiedaken) en gevels wordt sterk aanbevolen. Behalve een waarde voor planten en dieren heeft dit ook een functie voor waterberging waardoor piekbelasting op de riolering wordt verminderd. Bovendien helpen groene daken en gevels hittestress te voorkomen en vangen ze fijnstof, wat een positief effect heeft op de luchtkwaliteit. Overige natuurvriendelijke maatregelen in de bouw zijn te vinden in de checklist “Natuurvriendelijke maatregelen in de bouw”.
Bij bouwprojecten dient vroegtijdig te worden overlegd met de afdeling Milieu van de gemeente Amersfoort over de sturing van ontwerp- en materiaalkeuzen. Doel van dit overleg is:
Indien het streefniveau niet wordt gehaald wordt met de bouwende partij overlegd over de redenen voor ontstane belemmeringen. Gezamenlijk wordt bekeken welke oplossingen mogelijk zijn.
Het project Ariaplein-noord wordt gebouwd in een gebied dat gevoelig is voor wateroverlast. Uit onderstaande kaart blijkt dat bij de specifieke locatie, het risico op te hoge grondwaterstanden reëel is. Hier moet rekening mee worden gehouden bij de ontwikkeling van Ariaweg-noord om wateroverlast in de toekomst te voorkomen (zie ook paragraaf 4.2 Water).
Gebieden gevoelig voor wateroverlast (rood)
De verstedelijking en klimaatverandering betekent dat onze stad steeds kwetsbaarder wordt voor extreme weersomstandigheden. Wateroverlast, droogte en hitte kunnen grote gevolgen hebben voor de economie, ecologie en voor de volksgezondheid. Om schade nu en in de toekomst zo veel mogelijk te voorkomen, is extra aandacht nodig voor de inrichting en het beheer van het stedelijk gebied.
Het boek Waterrobuust Bouwen biedt een werkwijze en een overzicht van maatregelen om stedelijk gebied waterrobuust in te richten, een handreiking om nieuw en bebouwd gebied te richten, waardoor overlast als gevolg van klimaatverandering zoveel mogelijk wordt voorkomen.
Het vergroenen van de stedelijke omgeving, door bijvoorbeeld groen in de openbare ruimte en het realiseren van groene daken (vegetatiedaken) en gevels wordt aanbevolen. Behalve een waarde voor planten en dieren blijkt uit een in opdracht van het ministerie van EL&I uitgevoerde studie (KPMG, 'Groen, gezond en productief' (TEEB NL), 08-2012) dat groen ook goed is voor de gezondheid en het gezondheidsbudget. Daarnaast heeft groen ook een functie voor waterberging waardoor de piekbelasting op de riolering wordt verminderd. Bovendien helpt groen in de stad hittestress te voorkomen en fijnstof op te vangen, wat een positief effect heeft op de luchtkwaliteit. Overige natuurvriendelijke maatregelen in de bouw zijn te vinden in de checklist "Natuurvriendelijke maatregelen in de bouw".
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen is het noodzakelijk te onderzoeken in hoeverre de plannen ten koste gaan van de (aanwezige) flora en fauna. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de 'toets in het kader van gebiedsbescherming' en de 'toets in het kader van soortenbescherming'.
De bescherming van de natuur is in Europees verband vastgelegd in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Beide richtlijnen dragen zorg voor zowel gebiedsbescherming als soortenbescherming. Nederland heeft de richtlijnen geïmplementeerd in respectievelijk de Natuurbeschermingswet van 1968 en 1998 (gebiedsbescherming) en de Flora- en faunawet (soortenbescherming). De gebiedsbescherming heeft betrekking op de Vogelrichtlijngebieden die het rijk heeft vastgesteld, de Habitatrichtlijngebieden die het rijk bij de Europese Commissie heeft aangemeld, de beschermde natuurmonumenten en de staatsnatuurmonumenten. Ruimtelijke ingrepen die in deze gebieden plaatsvinden dan wel in de nabijheid van beschermde natuurgebieden, moeten worden getoetst op hun effecten op deze gebieden.
Op bosgebieden buiten de bebouwde kom (volgens de definitie van de Boswet) en groter dan 10 are of - bij rijbeplanting - meer dan 20 bomen, is de Boswet van toepassing. De Boswet beoogt het areaal bos in Nederland in stand te houden. Als bos waarop de Boswet van toepassing is, gekapt wordt is men altijd verplicht tot heraanplant, tenzij er sprake is van een goedgekeurd bestemmingplan. Als dat het geval is, moet compensatie van het betreffende bosareaal elders plaatsvinden. De provincie Utrecht is bevoegd gezag voor naleving van de Boswet.
De toets in het kader van gebiedsbescherming vindt zijn oorsprong in de Natuurbeschermingswet 1998 en draagt zorg voor de bescherming van natuurwaarden. De wet kent drie typen gebieden:
Plannen dan wel projecten in deze gebieden, maar ook daar buiten in verband met de zogenaamde externe werking, kunnen vergunningplichtig zijn.
Naast de gebiedsbescherming die voortkomt uit de Natuurbeschermingswet 1998 kennen we de gebiedsbescherming van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De EHS is door de provincie Utrecht begrensd in diverse natuurgebiedsplannen. Waarbij de meest recente versie nu het Natuurbeheerplan 2011 is. In het Streekplan heeft de EHS een zogenaamde Groene Contour gekregen, de grenzen van de EHS zijn daarbij bijna volledig overgenomen uit het natuurbeheerplan.
Nieuwe plannen, projecten of handelingen binnen en in de nabijheid van gebieden die binnen de groene contour vallen en die per saldo significant negatieve gevolgen hebben voor de te behouden waarden en kenmerken, zijn niet toegestaan, tenzij er geen reële alternatieven zijn én er sprake is van redenen van groot openbaar belang (het “nee, tenzij” principe). Op basis van een afweging tussen het te beschermen belang en het met het plan of project gemoeide belang wordt al dan niet toestemming verleend door de provincie. Wordt een plan of project na afweging van belangen toch toegestaan, dan moet een besluit worden genomen over mitigerende (mitigeren is verzachten of verlichten) en compenserende maatregelen (het zogenaamde compensatiebeginsel). Als de mitigerende maatregelen onvoldoende zijn, moeten compenserende maatregelen worden getroffen: maatregelen waarmee nieuwe waarden worden gecreëerd die vergelijkbaar zijn (in kwantiteit of kwaliteit) met de verloren gegane waarden.
Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Amersfoort en maakt geen onderdeel uit van de EHS, Natura 2000-gebied of een Beschermd Natuurmonument. De ingreep vindt lokaal plaats binnen de bebouwde kom en er worden geen uitstralende effecten verwacht met negatieve effecten op de te beschermen waarden in omliggende natuurgebieden.
De toets in het kader van soortenbescherming is met de wijziging van artikel 75 van de Flora- en faunawet (1 juli 2002) wettelijk vastgelegd. Bij elk plan dat ingrijpt op standplaatsen van planten of verblijfplaatsen van dieren, dient getoetst te worden wat het effect is op beschermde soorten, die met name genoemd zijn in de Flora- en faunawet.
De soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten (uit de groepen kevers, mieren, schelp- en schaaldieren) en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in een aantal bij de Flora en faunawet behorende besluiten.
Dat houdt in dat bij planvorming uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met de gevolgen die ruimtelijke ingrepen hebben voor de instandhouding van de beschermde soort.
Sinds 22 februari 2008 is een nieuwe AmvB in werking getreden die voorziet in een wijziging van het "Besluit beschermde dier- en plantensoorten". Deze AMvB, betekent dat het ontheffingsregime is aangepast. Met de inwerkingtreding van dit besluit zal sprake zijn van een drietal categorieën beschermingsniveaus:
Tegen deze wettelijke achtergrond worden de nieuwe ontwikkelingen beoordeeld in relatie tot wettelijk beschermde planten en dieren en hun natuurlijke omgeving.
Indien het voortbestaan op locatie van beschermde soorten planten of dieren uit categorie 2 en 3 door een ingreep negatief beïnvloed worden, is het daarnaast nodig ontheffing aan te vragen van verboden handelingen op grond van de Flora- en faunawet. Het bevoegd gezag hierin is het Ministerie van LNV. De afweging van het belang van rode lijstsoorten vindt plaats in het spoor van de ruimtelijke ordening.
Voor de herontwikkeling van het Operaplein, waar het plangebied Ariawe-noord oorspronkelijk onderdeel van was, is de 'Natuurtoets Operaplein, Amersfoort' uitgevoerd (zie bijlage 3). Onderstaand worden de bevindingen kort weergegeven:
Omdat schade aan verblijfplaatsen en individuele vleermuizen aan de orde is of kan zijn is het aanvragen van een ontheffing van de Flora- en Faunawet in het kader van de benodigde omgevingsvergunning noodzakelijk. Voorwaarde voor het verlenen van een ontheffing zijn onder meer het nemen van mitigerende maatregelen om schade aan individuele vleermuizen te voorkomen en het voorzien in vervangende verblijfplaatsen voor vleermuizen.
Bij de beoogde plannen verdwijnen mogelijk exemplaren en verblijfplaatsen van enkele algemene en laag beschermde kleine zoogdieren en amfibieen. Voor deze tabel 1.soorten geldt in geval van ruimtelijke ontwikkelingen automatisch vrijstelling van de ontheffingsplicht. Schade aan algemene en laag beschermde zoogdieren en amfibieen kan - indien de planning van de werkzaamheden dit toelaat - geminimaliseerd worden door werkzaamheden zoveel mogelijk uit te voeren buiten de voortplantingsperiode (maart - augustus). De minst schadelijke periode is september - november (mits vorstvrij). Werkzaamheden die broedbiotopen van aanwezige vogels verstoren of beschadigen dienen te allen tijde te worden voorkomen. Dit is voor de meeste soorten mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten in de periode voor begin maart en na eind juli of het onderzoeksgebied te controleren op broedende vogels en nesten binnen de invloedsfeer van de plannen. Voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd, maar is het van belang of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum.
Op 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (als onderdeel van de Monumentenwet 1988) in werking getreden. Hiermee zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) in de Nederlandse wetgeving opgenomen.
Archeologische beleidskaart
In lijn met de nieuwe archeologiewetgeving is de Amersfoortse ABP-kaart omgezet in een archeologische beleidskaart waar per gebied wordt aangegeven hoe moet worden omgegaan met de archeologie bij het ontwikkelen en uitvoeren van plannen / bodemverstorende projecten (28 september 2010 vastgesteld door de gemeenteraad).
De nieuwe beleidskaart kent een onderverdeling in gebieden met verschillende kleuren. Per gebied is een beleidsadvies geformuleerd. Zo zijn er gebieden met hoge archeologische waarden en gebieden met een hoge, een middelmatige of een lage archeologische verwachting.
Bescherming per gebied
Ter voldoening aan artikel 38a van de Monumentenwet nemen we in bestemmingsplannen een regeling ten aanzien van de archeologische monumenten op, voor zover die al niet (anderszins) zijn beschermd via de Monumentenwet.
Regeling in bestemmingsplan
Gezien de daarbij betrokken belangen en de wettelijke plicht om in de bestemmingsplannen nadrukkelijk rekening te houden met archeologie wordt in voorkomende gevallen gekozen voor een dubbelbestemming.
De nummering van de gebieden in de regels van het bestemmingsplan komt niet overeen met de nummering op de archeologische beleidskaart. Hieronder volgt een opsomming van de gebieden met de benaming die ze hebben op de archeologische beleidskaart en in het bestemmingsplan.
| Benaming op Archeologische beleidskaart | Benaming in bestemmingsplan |
| Archeologisch waardevol gebied 1 | Wordt beschermt via Monumentenwet, wordt niet opgenomen op de verbeelding en ook niet in de regels van het bestemmingsplan. |
| Archeologisch waardevol gebied 2 | Dubbelbestemming "Waarde archeologie - 1" |
| Archeologisch waardevol verwachtingsgebied 3 | Dubbelbestemming "Waarde archeologie - 2" |
| Archeologisch waardevol verwachtingsgebied 4 | Dubbelbestemming "Waarde archeologie - 3" |
| Archeologisch waardevol verwachtingsgebied 5 | Dubbelbestemming "Waarde archeologie - 4" |
Het opnemen van een dubbelbestemming brengt goed tot uitdrukking dat archeologie op zichzelf dient te worden beoordeeld en ten opzichte van de medebestemming van primair belang is.
De dubbelbestemming omvat een eigen stelsel van regels voor bouwen en gebruik, dat functioneert naast (of boven) de regeling die is verbonden aan de onderliggende bestemming.
Archeologisch waardevolle gebieden
Binnen het plangebied bevinden zich geen wettelijk beschermde archeologische monumenten of bekende archeologische waarden. Wel zijn er archeologische verwachtingen.
Archeologisch waardevolle verwachtingsgebieden
Het noordelijke deel van plangebied ligt in een gebied met een middelhoge archeologische verwachting (Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied). In geval van ontwikkelingen met bodemingrepen dieper dan 30 cm en groter dan 500 m², dient voorafgaand een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.
Het overige deel van plangebied (onder andere het deel waar de nieuwbouw is voorzien) ligt in een gebied met een lage archeologische verwachting (Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied). In geval van ontwikkelingen met bodemingrepen dieper dan 30 cm en groter dan 10.000 m², dient voorafgaand een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.
Een bestemmingsplan bepaalt hoe de gronden gebruikt mogen worden, of er ergens gebouwd mag worden en wat voor bebouwing dat mag zijn. Het gaat om het toelaten van bepaalde gebruiksmogelijkheden (toelatingsplanologie). De grondgebruiker (zoals eigenaar, huurder) mag de functie die het bestemming geeft uitoefenen. Dit houdt in dat de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een aangewezen bestemming daadwerkelijk te realiseren, maar ook dat de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen die in strijd is met de gegeven bestemming, of in strijd met het bestemmingsplan mag bouwen.
Het is belangrijk om voor de toekomstige en bestaande bebouwing en functies een bestemmingsregeling te ontwerpen die zo veel mogelijk ruimte biedt voor verandering en aanpassing aan veranderende wensen. Het plan dient, met andere woorden, flexibel en doelmatig te zijn, en dient rechtszekerheid te bieden omtrent de ruimte voor verandering. Daar staat tegenover, dat het plan de nodige bescherming moet bieden tegen ontwikkelingen die schadelijk zijn voor anderen. Bescherming tegen een zodanige ontwikkeling wordt samengevat in de term rechtsbescherming.
Een bestemmingsplan bestaat uit:
De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het bestemmingsplan. Hierin staat hoe een plan tot stand is gekomen, een beschrijving van het gebied en wat de bedoelingen van de gemeente zijn in het plangebied.
In het voorliggende plan heeft een en ander geleid tot de volgende principe-opzet:
Aan de gebruiker van gronden en opstallen worden zo veel mogelijk vrijheden gegeven om zijn eigen beleid te voeren, zonder dat de overheid daarin regels stelt. Deze vrijheden worden zonder beperking als recht in het plan geformuleerd.
Als in bepaalde gevallen een mogelijke beschadiging van de belangen van andere burgers wordt verwacht, geeft het plan als recht iets beperktere mogelijkheden. Voor uitzonderingssituaties biedt het plan in dat geval wel verruimde mogelijkheden; het is in dit soort situaties niet goed mogelijk om vooraf te bepalen onder welke voorwaarden en in welke situaties deze extra mogelijkheid zal kunnen worden toegekend. Daarom zijn ze voorwaardelijk in het plan opgenomen, in de vorm van een “afwijkingsbevoegdheid”. Het kan in uitzonderlijke gevallen wenselijk zijn nadere eisen te stellen om bepaalde, met name genoemde, waarden te beschermen. De procedure is gelijk aan die voor een afwijking.
De Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat in afdeling 3.4 bepalingen over de openbare voorbereidingsprocedure van een groot aantal uiteenlopende besluiten van bestuursorganen. De procedure is van toepassing als dat bij wettelijke regel is bepaald, of als het bestuursorgaan (in casu het gemeentebestuur) dit zelf heeft bepaald.
Uit praktische overwegingen is het zinvol zoveel mogelijk die uniforme openbare voorbereidingsprocedure te volgen in de gevallen dat een procedure, met o.a. publicatie van het ontwerp-besluit en bezwaarmogelijkheden, nodig wordt geacht.
Het voorliggende bestemmingsplan bevat enige afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden die qua “zwaarte” en reikwijdte directe gevolgen kunnen hebben voor andere belanghebbenden dan de aanvrager van de afwijking.
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. In de volgende paragraaf wordt nog een nadere uitleg gegeven over de regels in het bestemmingsplan.
De regels zijn verdeeld over vier hoofdstukken:
Hieronder volgt een uitleg van een aantal bestemmingen die het bestemmingsplan kent. Sommige bestemmingen spreken voor zich en worden daarom niet nader toegelicht.
Naast de bestemmingen kent het bestemmingsplan ook dubbelbestemmingen. Een dubbelbestemming omvat een eigen stelsel van regels voor bouwen en gebruik voor het behoud en de bescherming van de in de dubbelbestemming aangegeven waarden. De dubbelbestemming functioneert naast de regeling die is verbonden aan de onderliggende bestemming.
Behalve bestemmingen en dubbelbestemmingen zijn binnen het bestemmingsplan aanduidingen te onderscheiden. Deze aanduidingen bevatten specificaties van bestemmingen en dubbelbestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Functieaanduidingen en bouwaanduidingen worden opgenomen in het artikel van de bestemming waarin ze voorkomen. Gebiedsaaanduidingen hebben een eigen artikel omdat deze aanduidingen zich meestal over meerdere bestemmingen uitstrekken.
In het plangebied komt een wat groter en een aantal kleinere groengebieden voor. De gronden waarvan het groene karakter in stand moet worden gehouden hebben de bestemming "Groen" gekregen. De gronden zijn daarmee bestemd voor groenvoorzieningen, parken en plantsoenen, voet- en fietspaden en speelvoorzieningen. Er wordt geen bebouwing mogelijk gemaakt. Er mogen enkel nutsvoorzieningen worden gerealiseerd en andere bouwwerken zoals palen, masten en verlichtingselementen.
De kleinste groengebieden zijn niet in deze bestemming opgenomen. Er is voor gekozen om deze gebiedjes binnen de bestemming 'Verkeer - verblijfsgebied' op te nemen. Dit betekent niet dat ze per definitie worden verhard, maar dit geeft wel wat meer flexibiliteit in het uitvoeren van de herinrichting van het openbaar gebied.
De voortuinen van de nieuw te bouwen, grondgebonden, eengezinswoningen hebben de bestemming "Tuin" gekregen. Binnen deze bestemming zijn geen bijbehorende bouwwerken toegestaan. Hier mogen uitsluitend andere bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de aangrenzende bestemming (de woning). Daarnaast is een verboden gebruik opgenomen voor parkeren.
In Amersfoort komen 2 typen wegen voor; de gebiedsontsluitingswegen en de erftoegangswegen. De gebiedsontsluitingswegen krijgen de bestemming "Verkeer". Dit zijn wegen die van belang zijn voor de bereikbaarheid van de stad. Deze komen binnen het plangebied niet voor.
Alle overige wegen zijn erftoeganswegen. De erftoegangswegen, die wel voorkomen binnen het plangebied, hebben de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied".
Binnen deze bestemmingen mogen enkel nutsvoorzieningen en andere bouwwerken zoals palen, masten en verlichtingselementen worden gerealiseerd evenals geluidwerende voorzieningen.
Ook parkeerplaatsen, voet- en fietspaden, (kleine) groenvoorzieningen, etc. vallen binnen de bestemming 'Verkeer-verblijfsgebied'.
In het plangebied komen 3 woonbestemmingen voor: 'Wonen', 'Wonen-1' en 'Wonen-4'. Deze woonbestemmingen worden voor alle bestemmingsplannen gebruikt zodat een eenduidige bestemmingsregeling ontstaat voor de woningen in Amersfoort.
Omdat uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat niet voor alle woningen zonder meer aan de geluidsnormen kan worden voldaan, is er bij 1 woning een geluidscherm vereist als geluidsreducerende maatregel (zie paragraaf 4.6). De locatie van dit scherm is op de verbeelding weergegeven met de aanduiding 'geluidscherm'.
Deze bestemming is toegekend aan de bestaande gestapelde woningen binnen het plangebied. Voor bestaande woningen hoeft niet te worden voldaan aan de Nota Parkeernormen 2009. Voor de bestaande woningen is op basis van parkeeronderzoek berekend wat het aantal parkeerplaatsen moet zijn (zie paragraaf 3.3.2). Daarom is in de regels enkel opgenomen, dat voor nieuwe woningen moet worden voldaan aan de Nota Parkeernormen. Bij sloop-nieuwbouw, of woningsplitsing, of iets dergelijks, moet dan wel aan de nieuwste normen worden voldaan.
In alle woningen zijn onder voorwaarden beroepen en bedrijven aan huis. Belangrijkste voorwaarde voor een beroep of bedrijf aan huis is dat het karakter van de woning die van een woning moet behouden en niet die van een bedrijf. Daarom zijn er eisen gesteld aan de oppervlakte, het aantal werknemers, of er wel of geen publiek op af komt, etc.
Om de archeologische waarden in het plangebied te beschermen, is in de regels en op de verbeelding de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" opgenomen.
Er mag slechts worden gebouwd indien de aanvrager van een omgevingsvergunning een archeologisch onderzoeksrapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarden naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende zijn vastgesteld. Er zijn uitzonderingen op het overleggen van een onderzoeksrapport en er kunnen voorwaarden aan de vergunning worden verbonden.
Bij de beschrijving van de uitvoerbaarheid van het plan gaat het zowel over het overleg dat bij de voorbereiding van het plan gevoerd is, als om de economische uitvoerbaarheid. Bij de uitvoerbaarheid speelt ook de handhaving een belangrijke rol.
Gelet op het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) moet de gemeenteraad een exploitatieplan vaststellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur (= Besluit ruimtelijke ordening) aangewezen bouwplan is voorgenomen. Het bouwen van 1 of meer woningen is bijvoorbeeld een aangewezen bouwplan op grond van artikel 6.2.1, onder a Bro. Dit bestemmingsplan maakt de bouw van 30 woninge mogelijk. Er moet een afweging worden gemaakt over het vaststellen van een exploitatieplan. Dit is niet aan de orde als er sprake is van een overeenkomst.
Gemeenten zijn op grond van de Wro verplicht om de kosten van de grondexploitatie te verhalen. Ingeval de gemeente de uitgeefbare gronden in eigendom heeft, vindt verhaal van de kosten van de grondexploitatie plaats door verkoop van bouwrijpe grond. Ingeval de gemeente niet over de gronden beschikt, kan de gemeente een overeenkomst over grondexploitatie aangaan waarbij de grondeigenaar zich verbindt de kosten van grondexploitatie aan de gemeente te voldoen. Indien het niet mogelijk is het kostenverhaal bij overeenkomst te verzekeren dient er, gelijktijdig met het bestemmingsplan, een exploitatieplan vastgesteld te worden. In dat laatste geval worden de kosten van de grondexploitatie verhaald door een financiële voorwaarde aan de bouwvergunning te verbinden. Kostenverhaal met behulp van een exploitatieplan wordt het verplichte kostenverhaal genoemd, in tegenstelling tot het vrijwillige kostenverhaal bij overeenkomst. Overeenkomsten die tot stand komen voorafgaand aan de vaststelling van een exploitatieplan worden anterieure overeenkomsten genoemd. Ook na vaststelling van een exploitatieplan is het mogelijk een overeenkomst over grondexploitatie aan te gaan. Laatstbedoelde overeenkomsten worden posterieure overeenkomsten genoemd.
Met de ontwikkelaar is een overeenkomst gesloten. Deze overeenkomst kan worden aangemerkt als een anterieure overeenkomst. Op grond van deze overeenkomst komt de ontwikkeling en realisatie van het project in beginsel voor rekening en risico van de ontwikkelaar. De door de gemeente gemaakte en te maken plan- en apparaatskosten evenals de mogelijk uit te keren tegemoetkomingen in schade (planschade) worden door de ontwikkelaar aan de gemeente vergoed.
Het bestemmingsplan is vanuit gemeentelijk perspectief financieel en economisch uitvoerbaar.
De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot de vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.
De Wet ruimtelijke ordening zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen b.v. op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Inspraak zal plaatsvinden volgens de in de "Rol van de Raad" opgenomen gevallen. In deze notitie wordt een driedeling gemaakt in soorten bestemmingsplannen; model 1, 2 en 3 plannen. Model 1 volgt in feite de wettelijk voorgeschreven behandeling met een zo kort mogelijke procedure, model 2 voegt hieraan een extra moment van kaderstelling door de raad toe en model 3 voorziet in de meest uitgebreide behandeling.
Dit bestemmingsplan voldoet aan de voorwaarden om de procedure behorende bij model 2 te volgen omdat het om een bestemmingsplanherziening gaat die voorziet in een urgente ontwikkeling, die past binnen de uitgangspunten van het project Amersfoort Vernieuwt. Dit betekent dat er geen inspraak wordt gehouden over het concept-ontwerpbestemmingsplan.
Wanneer de procedure behorende bij model 2 wordt gevolgd, betekent dit dat er (na het vooroverleg met instanties, zie paragraaf 6.3.3) direct een ontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd. Omdat er geen inspraak is gehouden over het conceptontwerpbestemmingsplan, is er wel een inloopavond georganiseerd waarvoor naar alle adressen in het plangebied een uitnodiging is gestuurd. Deze inloopavond is gehouden op ....... Tijdens deze avond bestond de gelegenheid om het conceptontwerpbestemmingsplan te bekijken en vragen te stellen aan ambtenaren van de gemeente en aan medewerkers van de Alliantie (ontwikkelaar).
Het Besluit ruimtelijke ordening geeft in artikel 3.1.1 aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Op 9 juni 2015 hebben de volgende instanties het conceptontwerpbestemmingsplan ontvangen met het verzoek om in het kader van artikel 3.1.1 Wro te reageren op het plan: SGLA, Waterschap Vallei en Veluwe, Provincie Utrecht, VeiligheidsRegio Utrecht.
Hierna wordt per organisatie aangegeven welke opmerkingen er zijn gemaakt, gevolgd door een gemeentelijke reactie daarop.
Reactie gemeente: In principe zal de riolering niet vervangen worden. Er wordt dit jaar nog wel een rioolinspectie uitgevoerd. Als het nodig bijkt te zijn, dan worden daarna nog reparatiemaatregelen uitgevoerd.
PM
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van .... tot en met ..... ter inzage gelegen waarbij een ieder de mogelijkheid had een zienswijze over het plan kenbaar te maken aan de gemeenteraad. Van deze gelegenheid is door ... reclamanten gebruik gemaakt. De zienswijzen zijn samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien in de zienswijzennota (doc.nr. # .......). Enkele zienswijzen geven aanleiding tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. Ook zijn in de zienswijzennota enkele ambtshalve aanpassingen voorgesteld.
Het bestemmingsplan is samen met de zienswijzennota ter vaststelling voorgelegd aan de gemeenteraad. Op ...... heeft de gemeenteraad van Amersfoort bij besluitnummer ........ het bestemmingsplan “............” gewijzigd vastgesteld.
Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de (gemeentelijke) overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor de daadwerkelijke controle en handhaving ligt op basis van artikel 7.1 van de Wet ruimtelijke ordening bij de gemeente. Daarnaast zijn ook de VROM-Inspectie en de provincie bevoegd tot opsporing van feiten die in het bestemmingsplan strafbaar zijn gesteld. Daarnaast kunnen ook derden belanghebbenden vorderen dat de bepalingen van het bestemmingsplan worden nageleefd.
De grondslag voor een goed werkend handhavingsbeleid wordt gevormd door een grondige inventarisatie van de feitelijke situatie (grondgebruik en bebouwing) van het plangebied tijdens de voorbereiding van het bestemmingsplan en een deugdelijk mutatie-registratiesysteem bij de uitvoering van het bestemmingsplan, onder andere met betrekking tot verleende vergunningen.
Belangrijk aspect van handhaving is daarnaast dat het draagvlak heeft. Het gaat hierbij om bestuurlijk draagvlak, ambtelijk draagvlak en maatschappelijk draagvlak. Een lastig onderwerp als handhaving heeft grote kans om aan de aandacht te ontsnappen of terzijde te worden gelegd als het geen draagvlak heeft. Steun, of in ieder geval begrip, van alle bij de handhaving betrokkenen, is dan ook zeer gewenst. Het bestuurlijke en ambtelijke draagvlak kan worden verkregen door tijdens het opstellen van het handhavingsbeleid regelmatig met elkaar om tafel te zitten, door de ins en outs van handhaving te bespreken, door de behaalde resultaten door te spreken en door toetsbare afspraken met elkaar te maken. Daarnaast is ook de "maatschappij" bij de handhaving betrokken via bijvoorbeeld de wijkbeheerteams en de gemeentelijke wijkmanagers.
Handhaving kan nadrukkelijk plaatsvinden via publiekrechtelijke maar tevens via privaatrechtelijke en strafrechtelijke weg. Dit laatste is afhankelijk van het Openbaar Ministerie. In het ruimtelijk bestuursrecht is de gemeente op grond van de Gemeentewet bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang en het opleggen van een dwangsom ten aanzien van ontwikkelingen die strijdig zijn met de belangen van het bestemmingsplan. Deze vormen van handhaving vallen onder de zogenoemde repressieve handhaving. Hiermee wordt gedoeld op de middelen en/of het instrumentarium waarmee de gemeente naleving kan afdwingen, dan wel tegen normafwijkend gedrag correctief kan optreden. De wijze van toepassing van deze bevoegdheden is geregeld in afdeling 5.3. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Daarnaast wordt de preventieve handhaving onderscheiden. Deze komt voornamelijk tot uitdrukking in het toezicht op het gebruik van gronden en gebouwen. Preventieve handhaving geschiedt over het algemeen door informele middelen, waaronder bijvoorbeeld informeel contact tussen de met handhaving belaste personen en de grondgebruikers. Aan preventieve handhaving wordt bovendien bijgedragen door duidelijke, consistente en handhaafbare bestemmingsregelingen en het geven van goede voorlichting, een en ander in nauw overleg met de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving (Stadsberichten, folders, gemeentelijke website).
In het plan zijn instrumenten van toezicht opgenomen. Genoemd kunnen worden de afwijkingsbevoegdheden, wijzigingsbevoegdheden en de bevoegdheid om nadere eisen te stellen. Deze instrumenten maken een toetsing mogelijk voordat met de beoogde activiteit (bouwen, gebruiken, het verrichten van werken en/of werkzaamheden) een aanvang wordt gemaakt. De te nemen besluiten op basis van de genoemde bevoegdheden dienen te berusten op een deugdelijke motivering.