direct naar inhoud van Artikel 13 Groen
Plan: Hooglanderveen en Vathorst
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0307.BP00066-0201

Artikel 13 Groen

13.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. groenvoorzieningen, bermen en beplantingen;
  • b. parken en plantsoenen;
  • c. trapveldjes, speelplaatsen en speelvoorzieningen;
  • d. dagrecreatie;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - te handhaven beplanting' (sg-thb);
  • f. ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - overbouwing' (sba-ob) een overbouwing;
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'speelvoorzieningen' ook voor speelvoorzieningen, mits een afstand van tenminste 30 meter van woningen en woongebouwen wordt aangehouden, met dien verstande dat deze afstand niet geldt voor individuele kleine speeltuigen;
  • h. horeca van categorie a ter plaatse van de aanduiding 'horeca van categorie a' (h=a);
  • i. ter plaatse van de aanduiding 'recreatie' ook voor evenementen, speelzand, speelwater, ligweide en moestuinen;
  • j. waterhuishoudkundige voorzieningen, watergangen en -partijen inclusief de daarbij behorende onderhoudspaden en/of -stroken, met inachtneming van de keur van het waterschap;
  • k. voet- en fietspaden;
  • l. in- en uitritten uitsluitend voor zover deze noodzakelijk zijn voor het bereiken van de (aangrenzende) percelen;
  • m. geluidswerende voorzieningen;
  • n. nutsvoorzieningen
  • o. bij deze bestemming behorende overige voorzieningen.
13.2 Bouwregels

Op en in deze gronden zijn uitsluitend niet voor bewoning bestemde gebouwen (zoals nutsvoorzieningen) en andere bouwwerken toegestaan, die ten dienste staan van de bestemming, met dien verstande dat:

  • 1. ter plaatse van de aanduiding 'horeca van categorie a' mogen in overeenstemming met deze aanduiding ook horecagebouwen worden gebouwd;
  • 2. ter plaatse van de aanduiding 'speelvoorzieningen' mogen in overeenstemming met deze aanduiding ook gebouwen voor het onderhoud en beheer alsmede speelhuisjes worden gebouwd;
    .
13.2.1 Niet voor bewoning bestemde gebouwen

Voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de bruto-inhoud van de gebouwen voor nutsvoorzieningen bedraagt ten hoogste 50 m3;
  • b. de bouwhoogte van de gebouwen voor nutvoorzieningen bedraagt ten hoogste 5 m.;
  • c. de oppervlakte van de gebouwen als bedoeld in 13.2 onder 1 bedraagt in totaal ten hoogste 250m² b.v.o. met dien verstande dat de oppervlakte van de bijbehorende terrassen in totaal ten hoogste 250m² mag bedragen;
  • d. de goothoogte van gebouwen zoals bedoeld in 13.2 onder 1 bedraagt ten hoogste 5 meter, met dien verstande dat voor zover de hoogte van de meest nabij gelegen, ten tijde van het in ontwerp ter inzage leggen van het bestemmingsplan Vathorst reeds bestaande, woning in of grenzend aan het plangebied, de afstand van de nieuwe gebouwen tot aan die bestaande woning tenminste gelijk zal zijn aan de hoogte van de nieuwe gebouwen;
  • e. de oppervlakte van de gebouwen als bedoeld in 13.2 onder 2 bedraagt ten hoogste 20m²;
  • f. de goothoogte van gebouwen als bedoeld in 13.2 onder 2 bedraagt ten hoogste 3 meter;
  • g. de gebouwen als bedoeld in in 13.2 onder 2, dienen te worden gebouwd op een afstand van ten minste 30 meter van woningen en woongebouwen.
     
13.2.2 Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan daarbij hierna is aangegeven:

bouwwerken   max. bouwhoogte  
palen, masten en reclame- en andere tekens   10 m  
verlichtingsmasten   9 m  
(beeldende) kunstwerken   10 m  
geluidwerende voorzieningen   10 m  
overige andere bouwwerken   10 m  

13.3 Afwijken van de bouwregels

13.3.1 Afwijkende maatvoering andere bouwwerken

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in sublid 13.2.2 voor:

  • a. het bouwen van antenne-installaties tot een hoogte van maximaal 40 m;
  • b. het bouwen van wegbewijzering, licht- en andere masten en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een grotere hoogte;


met dien verstande dat:

    • 1. tegen deze hoogte geen bezwaren bestaan vanuit een oogpunt van verkeersveiligheid of in verband met de ontsluiting van percelen;
    • 2. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken en de belangen van derden worden niet onevenredig geschaad;
    • 3. er geen bezwaren bestaan vanuit een verantwoorde stedenbouwkundige en landschappelijke inrichting en vormgeving;
    • 4. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de in de omgeving aanwezige architectonische en/of cultuurhistorische waarden.
13.3.2 Parkeervoorzieningen

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 13.1 en wegen en parkeervoorzieningen toestaan, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. de afwijking is noodzakelijk ten behoeve van een optimale verkeersafwikkeling dan wel in verband met de parkeerbehoefte binnen het gebied;
  • b. de verkeersveiligheid in het gebied mag niet in het gedrang komen;
  • c. een toename van de aantasting van het woon- en leefklimaat is niet toegestaan;
  • d. er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan het ruimtelijk beeld van het openbaar (groen)gebied;
  • e. er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan het gebruik van belendende percelen.
13.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
    • 1. aanleggen van speelvoorzieningen of voet- of fietspaden, waarvan de gezamenlijke verharde oppervlakte meer bedraagt dan 15% van het bestemmingsvlak, dan wel meer bedraagt dan 1.000 m²;
    • 2. het ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - te handhaven beplanting' (sg-thb) vellen of rooien van aanwezige houtopstanden en/of het verrichten van werkzaamheden, welke de dood of ernstige beschadingen van de houtopstanden tot gevolg kunnen hebben;
  • b. Een vergunning als bedoeld onder a is slechts toelaatbaar, indien door de werken en/of werkzaamheden de natuurlijke, cultuurhistorische en/of landschappelijke waarden van de betreffende groenvoorziening niet in onevenredige mate worden aangetast;
  • c. Een vergunning als bedoeld onder a is slechts toelaatbaar, indien door de werkzaamheden de landschappelijke waarde van de beplanting niet in onevenredige mate wordt aangetast, dan wel de mogelijkheden voor behoud, versterking en/of herstel van die waarden niet onevenredig worden verkleind en indien een afweging van de in het geding zijnde belangen tot uitkomst heeft, dat een vergunning redelijkheid niet kan worden geweigerd
  • d. Het onder a vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van de volgende andere werken en werkzaamheden:
    • 1. werken en/of werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud;
    • 2. andere werken en/of werkzaamheden, waarmee is of mag worden begonnen ten tijde van het verkrijgen van rechtskracht van het plan.