direct naar inhoud van Toelichting
Plan: De Ganskuijl e.o.
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0307.BP00100-0301

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het nieuwe plan voor project De Ganskuijl e.o. is onderdeel van Amersfoort Vernieuwt. Met Amersfoort Vernieuwt werken de gemeente Amersfoort, de Alliantie en Portaal aan betere buurten met goede woningen. Buurten waar mensen zich veilig voelen en prettig met elkaar samenleven, leren en werken. Het doel van Amersfoort Vernieuwt is om het leven in de wijken op veel gebieden prettiger te maken. Samen met bewoners zijn hiervoor in 2006 en 2007 plannen gemaakt. De plannen van Amersfoort Vernieuwt voor de wijken Liendert-Rustenburg, Randenbroek-Schuilenburg en Kruiskamp zijn opgenomen in zogenoemde Wijkontwikkelingsplannen, die in december 2007 zijn vastgesteld door de gemeenteraad. Daarnaast bevat Amersfoort Vernieuwt een aantal overige projecten buiten deze wijken. De verbetering van De Ganskuijl e.o. is één van deze projecten.

In het gebied De Ganskuijl e.o. zijn de woningen verouderd en er heerst sociale problematiek. De openbare ruimte voldoet niet meer aan de eisen van deze tijd en heeft een rommelige uitstraling. In 2007 is gestart met het wegnemen van de sociale problematiek. Tegelijkertijd zijn de mogelijkheden voor de fysieke vernieuwing van de woningen en openbare ruimte verkend. Dit heeft ertoe geleid dat de Alliantie in 2008 de portiekflats aan de Gasthuislaan aan de binnen- en buitenzijde verbeterd heeft.
Nu is het gebied tussen de Gasthuislaan en de Den Wijnbergh (project 'De Ganskuijl e.o.') aan de beurt.

Op 14 januari 2014 heeft de gemeenteraad het Stedenbouwkundig- en beeldkwaliteitsplan De Ganskuijl e.o. vastgesteld. In voorliggende verbeterslag worden vier portieketageflats aan de Den Wijnbergh gerenoveerd en zes portieketageflats aan de Gasthuislaan worden gesloopt en vervangen door nieuwbouw.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00100-0301_0001.png"

Bestaande en te slopen bebouwing binnen het plangebied

In de huidige situatie betreft het 190 huurwoningen. In de nieuwe situatie wordt uitgegaan van circa 170 woningen, het programma ziet er als volgt uit:
ca. 100 sociale huurappartementen worden gerenoveerd, ca. 18 sociale huurappartementen zijn zorggerelateerd waaronder slaapunits, ca. 28 eengezinswoningen in de sociale huur en ca. 26 eengezinswoningen in de koopsector.

Genoemde ontwikkeling voor De Ganskuijl e.o. past niet in het vigerend bestemmingsplan Leusderkwartier 2008 omdat o.a. de bouwblokken van de nieuw te realiseren eengezinswoningen, de ontsluiting daarvan en de benodigde parkeerplaatsen anders worden gesitueerd. Daarnaast zal de bouwhoogte van de nieuwe eengezinswoningen ook lager zijn dan de huidige te slopen portiekflats. Vandaar dat er een herziening wordt gemaakt: het bestemmingsplan "De Ganskuijl e.o.”.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00100-0301_0002.png"

Plangebied globaal aangegeven in het rood op het vigerend bestemmingsplan Leusderkwartier uit 2008


Door alle nieuwe bestemmingsplannen volgens een uniforme systematiek op te stellen binnen de kaders van het Handboek bestemmingsplannen, wordt uniformiteit in kaartbeeld en planregels bewerkstelligd, waardoor de rechtszekerheid en de praktische hanteerbaarheid van de bestemmingsplannen wordt vergroot.

Tevens wordt voldaan aan de verplichting tot digitalisering en digitaal gebruik van de bestemmingsplannen. Het bestemmingsplan is conform de IMRO-standaard (informatie model ruimtelijke ordening) vervaardigd. Hierdoor is het bestemmingsplan eenvoudig in te brengen in het gemeentelijk (raadpleeg-)systeem en kan het bestemmingsplan op een eenvoudige wijze worden uitgewisseld met andere overheden zoals de provincie. De nieuwe digitale systematiek heeft weliswaar gevolgen voor het vertrouwde kaartbeeld en de opbouw van de regels, maar sluit naadloos aan bij de huidige eisen die aan een bestemmingsplan worden gesteld.

1.2 Bestemmingsplan

 

1.2.1 Ligging en begrenzing van het bestemmingsplan

Het bestemmingsplan “De Ganskuijl e.o.” beslaat het gebied tussen de Gasthuislaan aan de noordzijde, de Den Wijnbergh aan de zuidzijde, de Lambert Heijnricsstraat en Jacob den Bilerstraat aan de oostzijde en De Ganskuijl (globaal) aan de westzijde.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00100-0301_0003.png"

De rood/zwarte omtrek geeft globaal voorliggend plangebied weer

1.2.2 Geldend(e) plan(nen)

Binnen het plangebied gelden op dit moment de volgende bestemmingsplannen:

Naam   Raad   GS   Kroon/RvS  
Leusderkwartier 2008   9 december 2008   18 augustus 2009   12 april 2010  

1.3 Leeswijzer

Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: een verbeelding (voorheen:plankaart) waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, planregels waarin de regels voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen en een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de planregels het bindende deel van het bestemmingsplan.

De toelichting begint in hoofdstuk 2 met de relevante beleidskaders van het bestemmingsplan en in hoofdstuk 3 staat de planbeschrijving. De uitvoeringsaspecten, met name milieubeperkingen, worden in hoofdstuk 4 uiteengezet. De juridische planopzet wordt toegelicht in hoofdstuk 5. Tot slot behandelt hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 2 Beleidskaders

2.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de inhoud van het ruimtelijk relevante beleid voor het bestemmingsplan "De Ganskuijl" op rijks-, provinciaal- en gemeentelijk niveau (met dien verstande dat de relevante milieuwetgeving aan de orde komt in hoofdstuk 4 "Omgevingsaspecten". Dit beleid vormt het kader van toetsing van de huidige situatie en nieuwe ontwikkelingen. Het beschreven beleidskader is daarmee een van de belangrijkste bouwstenen voor de visie op het plangebied en de opzet van de juridische regelingen.

2.2 Ruimtelijk beleid

2.2.1 Gemeente

2.2.1.1 Startnotitie en modelkeuze

Op 25 februari 2014 heeft de gemeenteraad de startnotitie "Bestemmingsplan De Ganskuijl e.o." vastgesteld en besloten werd om de procedure voor model 2 te volgen.
In de startnotitie is de aanpak voor de herziening van het bestemmingsplan beschreven. Tevens wordt daarin verwoord dat het stedenbouwkundig- en beeldkwaliteitsplan als uitgangspunt wordt gehanteerd bij het op te stellen bestemmingsplan. Het doel van de herziening is om goede woningen te kunnen realiseren met een eigentijds wooncomfort, praktische plattegronden, gelegen in een mooie omgeving met als eindresultaat een vitale wijk.
De procedure van model 2 houdt in dat er een ontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd (en geen voorontwerp waarop inspraak mogelijk is). De bewoners zijn actief betrokken geweest bij het maken van het stedenbouwkundig plan dat één van de uitgangspunten is voor voorliggend bestemmingsplan. Een participatiegroep heeft meegedacht en geadviseerd over de plannen.

2.2.1.2 Structuurvisie Amersfoort (2009)

In deze Structuurvisie is geen nieuw beleid geformuleerd, maar is het ruimtelijk relevante bestaande beleid in samenhang gepresenteerd. Het gaat in hoofdlijnen om beleidsnota's en ruimtelijke kaders die voor projecten zijn bepaald.

Structuurvisie Amersfoort: Ruimtelijke hoofdstructuur 2009

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00100-0301_0004.png"

 

2.2.1.3 Amersfoort Vernieuwt

Het Project Amersfoort Vernieuwt is opgestart met als doelstelling dat het in Amersfoort in elke wijk prettig wonen en werken moet zijn, een stedelijk vernieuwingsprogramma. Om dat doel te bereiken, wordt de situatie in enkele wijken aangepakt, middels 'Amersfoort Vernieuwt” projecten. Amersfoort Vernieuwt gaat uit van een totaalaanpak om de kwaliteit in de wijk te verhogen. Er is aandacht voor de omgeving, dus bijvoorbeeld voor verbetering van woningen, winkels, sportvoorzieningen, milieu en groen, maar ook onderwerpen die te maken hebben met samenleven komen aan bod. Met Amersfoort Vernieuwt wordt verder de realisatie van een verschuiving van 10 tot 15% van goedkope sociale woningbouw naar het middensegment beoogd.

Het programma Amersfoort Vernieuwt is een gezamenlijk initiatief van de gemeente en de woningbouwcorporaties Alliantie Eemvallei en Portaal. Uitgangspunt is dat de planvorming altijd in nauw overleg met de bewoners en andere partijen uit de wijk plaatsvindt.

De verbetering van De Ganskuijl is één van de projecten van Amersfoort Vernieuwt.

2.2.1.4 Woonvisie Amersfoort 2011-2020

In de woonvisie Amersfoort 2011 – 2020 (vastgesteld 27 september 2011) staat beschreven met welk woonbeleid de gemeente aan de slag gaat. Het is een van de bouwstenen voor de structuurvisie waar vooral de ruimtelijke invulling een plek moet krijgen. In de koers voor de Structuurvisie Amersfoort 2030 is als ambitie vastgesteld dat Amersfoort zich verder ontwikkelt tot een duurzame, vitale stad met een centrumfunctie voor de regio. De kracht van Amersfoort zit in de goede mix van stedelijkheid en groene leefbare wijken, met een waardevol historisch centrum in een groene omgeving.


Programma voor de stad

De vraag naar wonen in Amersfoort is en blijft groot. Voldoende nieuwbouw is belangrijk om de doorstroming op gang te houden zodat er in alle segmenten van de markt woningen beschikbaar komen. Voldoende planologische ruimte voor de realisatie van gemiddeld 900 woningen per jaar.

Uitgangspunt voor het woningbouwprogramma vormen de uitbreiding van het centrumstedelijk woonmilieu, het versterken van de naoorlogse wijken en de verdere uitbouw van het groenstedelijk wonen in Vathorst. Alleen voor de grotere nieuwbouwlocaties omschrijven we de gewenste woonmilieus en geven richting aan de wijze waarop deze locaties worden ingevuld (woonmilieuprofiel). Hierin worden de randvoorwaarden voor de planontwikkeling meegegeven over de woningdichtheid, functiemenging, parkeren, financiële doelgroepen en de openbare ruimte. Naast de uitbreiding van het groenstedelijk woningaanbod in Vathorst (sterk gericht op gezinnen) en met de vernieuwingsopgave van Amersfoort Vernieuwt, ligt er een opgave in de uitbreiding van het aanbod centrumstedelijk wonen in Amersfoort. Hiermee versterken wij de positie als stedelijk hart van de regio.


Kwaliteitseisen

De centrumstedelijke compacte invulling van locaties rondom de binnenstad sluit aan bij de duurzaamheidsambitie die uitgaat van intensief ruimtegebruik. Voor een duurzame stad is het daarnaast nodig dat nieuwbouwwoningen voldoende kwaliteit en toekomstwaarde hebben. Vooruitlopend op de komende vergrijzing is levensloopgeschikt bouwen het uitgangspunt. Ook in de bestaande voorraad zijn investeringen nodig om de kwaliteit, aanpasbaarheid, energiezuinigheid en mogelijkheden voor duurzame energieopwekking te verbeteren. Vanuit woonbeleid zijn energiebesparende maatregelen en energiezuinige nieuwbouw belangrijk omdat energielasten een steeds groter onderdeel vormen van de woonlasten. Mensen met lage inkomens wonen veelal in slecht geïsoleerde woningen en worden daardoor extra getroffen door de stijgende energieprijzen. In de bestaande woningbouw is veel energie te besparen door na-isolatie van de woningen. Bij nieuwbouw moet zoveel mogelijk gestreefd worden naar energieneutraal bouwen.


Woonbeleid vanuit een nieuwe bestuursfilosofie

Woningmarktontwikkelingen en nieuwbouw die voor de stad belangrijk worden benoemd, onder de aandacht gebracht bij betrokkenen in de stad, zonder zelf een pasklaar antwoord te geven. Kwalitatief goede en gewilde woningbouw komt tot stand door de interactie tussen woonconsument en marktpartijen. Daarvoor worden minder regels gesteld. De gemeente heeft het vertrouwen dat marktpartijen, woningcorporaties, zorgpartijen en de bewoners zelf hun eigen rol en verantwoordelijkheid nemen.

2.2.1.5 Nota parkeernormen

In de nota parkeernormen Amersfoort 2009 zijn specifieke parkeernormen geformuleerd voor diverse functies. Ze geven een indicatie van het aantal auto's dat bij een bepaalde functie geparkeerd wordt in een bepaalde tijdsperiode. De normen worden gebruikt voor nieuwbouwsituaties of bij functiewijzigingen, waarvoor een vergunning of ontheffing dient te worden verkregen. In de parkeernormen wordt rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen in het autobezit. Vanuit de hoofddoelstelling uit het parkeerbeleidsplan ‘bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit van de openbare ruimte en de leefbaarheid is het van belang dat er strikte bepalingen worden gehanteerd ten aanzien van parkeren. Parkeren moet indien mogelijk zoveel mogelijk op eigen terrein plaatsvinden zodat een ontwikkeling niet of zo min mogelijk zorgt voor extra parkeerdruk in het openbaar gebied. De belangrijkste voorwaarde is dan ook dat het aantal parkeerplaatsen volgens de norm moet worden aangelegd. Hiervoor zijn in Nota Parkeernormen Amersfoort normen opgenomen per type voorziening. In het parkeerbeleidsplan is tevens aangegeven dat bij het opstellen van parkeerbalansen rekening wordt gehouden met de mogelijkheid tot meervoudig gebruik van parkeerplaatsen.

2.2.1.6 Bomenbeleid

De Bomennota 1992 formuleert het beleid met betrekking tot de bescherming en instandhouding van de bijzondere bomen in de gemeente Amersfoort.

Op dit moment is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een houtopstand te vellen of te doen vellen. Er geldt o.a. een uitzondering voor houtopstand waarvan de stamomtrek, gemeten op 1.3 meter hoogte vanaf de grond, niet meer bedraagt dan 35 centimeter, tenzij de gezamenlijk te kappen houtopstand een oppervlakte beslaat van meer dan 50 m². In 97% van de gevallen wordt die kapaanvraag goedgekeurd. De bomen waarvoor een kapvergunning niet wordt verleend, zijn monumentale en andere waardevolle bomen.

2.2.1.7 Welstandsnota en beeldkwaliteitsplan

Volgens de Woningwet moeten bouwwerken waarvoor een vergunning nodig is, voldoen aan 'redelijke eisen van welstand'. Welke eisen dit zijn, heeft de gemeente vastgesteld in de Welstandsnota. Het doel van de nota is om zoveel mogelijk vrijheid te geven om bouwplannen uit te voeren maar daarnaast de stad haar eigen karakter laten behouden en zo mogelijk te versterken. Daarbij wordt gestreefd naar een goede balans tussen individueel belang en algemeen belang.

Met het beeldkwaliteitsplan doet de gemeenteraad een aanvulling op de welstandsnota. Bij grootschalige ontwikkelingen verandert de stedenbouwkundige structuur van een gebied. Welstandscriteria worden dan in overleg met de welstandscommissie opgesteld en vastgelegd in een specifiek beeldkwaliteitsplan.

Op 14 januari 2014 heeft de gemeenteraad naast het Stedenbouwkundig plan ook het beeldkwaliteitsplan voor De Ganskuijl e.o. vastgesteld. De inspraak over deze specifieke welstandscriteria wordt gekoppeld aan de ter inzage legging van voorliggend ontwerpbestemmingsplan. De nieuwe welstandscriteria worden straks onderdeel van de welstandsnota.

2.2.1.8 Prostitutiebeleid / Verbod op sexsinrichtingen

Door het opheffen van het algemeen bordeelverbod hebben gemeenten bij het reguleren van prostitutie een grotere rol gekregen. Teneinde ongewenste situaties en ontwikkelingen te kunnen voorkomen of te kunnen tegengaan is het noodzakelijk dat gemeentelijk beleid wordt vastgelegd en dat de regelgeving wordt aangepast. De aanpassing van regelgeving bestaat uit het wijzigen van de APV door invoering van een vergunningstelsel voor seksinrichtingen en een regeling van seksinrichtingen in de bestemmingsplannen.

Het prostitutiebeleid van de gemeente Amersfoort is vastgelegd in de Nota prostitutiebeleid gemeente Amersfoort (vastgesteld door de gemeenteraad op 26 september 2000). In deze nota is bepaald, dat er maximaal zeven seksinrichtingen in Amersfoort kunnen worden gevestigd. In verband met het stedelijke karakter, de groei van de gemeente en de centrumfunctie die Amersfoort voor de regio heeft, wordt een verruiming van het huidige aantal seksinrichtingen van vijf naar zeven verantwoord geacht.

In het facetbestemmingsplan 'Gebruiksbepalingen en seksinrichtingen' van de gemeente Amersfoort is voor alle geldende bestemmingsplannen een verbod opgenomen voor het gebruik van gronden en/of bouwwerken als of ten behoeve van een seksinrichting. Dit gebeurt met uitzondering van vijf locaties waar de bestaande seksinrichtingen worden gelegaliseerd. De gemeente heeft zich bij de afweging om de inrichtingen te legaliseren laten leiden door onderstaande ruimtelijke aspecten. De overige twee seksinrichtingen zullen op een later tijdstip middels een bestemmingsplanherziening op een geschikte locatie worden ingepast. Op 1 september 2004 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan aangaande het bovengenoemde facetbestemmingsplan en heeft de regeling zoals Amersfoort deze hanteert, geaccepteerd (200308704/1).

Ook in de regels van het voorliggende bestemmingsplan is een verbod opgenomen (art. 11) voor het vestigen van een seksinrichting. Deze keuze is gebaseerd op het bovengenoemde beleid. Seksinrichtingen hebben vanwege hun uitstraling en openingstijden immers een ruimtelijke impact op de omgeving die zich onderscheid van overige bedrijven.

Overige aspecten:

Naast het bovenstaande zijn de volgende aspecten bij de afweging van een locatie voor de vestiging van een seksinrichting in ieder geval ruimtelijk relevant geacht:

  • geen concentratie van prostitutie in een straat, buurt, wijk of gebied;
  • geen seksinrichting in een flat of specifieke woonstraat;
  • ligging aan een doorgaande weg;
  • geen seksinrichting in tussenwoningen of panden met half-steensmuren;
  • geen onaanvaardbare toename van de verkeersbelasting in een straat;
  • voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein of in de directe omgeving;
  • geen aanstootgevende en/of storende (licht)reclames;
  • geen seksinrichting in de nabijheid van kerken, moskeeën, (avond)scholen, clubgebouwen voor jeugdigen en daarmee vergelijkbare functies.

Conclusie

Voorliggende ontwikkeling is in overeenstemming met het gemeentelijk beleid. De verbetering van De Ganskuijl is één van de projecten van Amersfoort Vernieuwt.

2.2.2 Provincie

2.2.2.1 Ruimtelijke Structuurvisie Provincie Utrecht

Bij het provinciale beleid is met name de Ruimtelijke Structuurvisie Provincie Utrecht van belang. Deze structuurvisie is ontstaan door een beleidsneutrale omzetting van het streekplan 2005-2015 van de provincie Utrecht. Deze omzetting vond plaats op 1 juli 2008. Provinciale Staten hebben hiervoor de “Beleidslijn nieuwe Wro” vastgesteld op 23 juni 2008.

In de structuurvisie worden verschillende ruimtelijke functies afgewogen en keuzen bepaald. Ook worden bestemmings- en bouwplannen van gemeenten aan het streekplan getoetst.

Binnen de structuurvisie vormen de begrippen kwaliteit, uitvoering en samenwerking gezamenlijk de rode draad. Er is een grote behoefte aan woningen en bedrijventerreinen. Ruimte hiervoor moet zoveel mogelijk worden gezocht binnen de huidige verstedelijking (inbreiden). In totaal is er ruimte gereserveerd voor 72.000 nieuwe woningen in de structuurvisie. In de structuurvisie zijn ook de bebouwingscontouren van de gemeenten precies vastgelegd en op kaarten aangegeven. Daarbinnen mag worden gebouwd; daarbuiten niet.

Het voorliggend plangebied De Ganskuijl e.o. ligt binnen de rode bebouwingscontour.

Plankaart structuurvisie Utrecht

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00100-0301_0005.jpg"

2.2.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening

Ter borging en doorwerking van het provinciaal belang kan de provincie een verordening vaststellen: kaderstelling vooraf. De figuur van verordening is nieuw in de ruimtelijke ordening. Maar de inhoud van de Utrechtse verordening is in die zin niet nieuw. De verordening is namelijk gebaseerd op de Wroproof gemaakte Structuurvisie (Beleidslijn nieuwe Wro) en de Wro-proof gemaakte Handleiding (Uitvoering Beleidslijn nieuwe Wro). De Provinciale Ruimtelijke Verordening is op 21 september 2009 vastgesteld door Provinciale Staten en in werking getreden op 24 december 2009.

Conclusie

Voorliggende ontwikkeling is niet in strijd met het provinciale beleid.

2.2.3 Rijk

2.2.3.1 De Nota Ruimte

In de Nota Ruimte (april 2004) zijn deel 3 van de Vijfde Nota en het Tweede Structuurschema Groene Ruimte geïntegreerd. Algemene uitgangspunten van de nota Ruimte zijn: ontwikkelingsplanologie, decentralisatie, deregulering en uitvoeringsgerichtheid. Het nationale ruimtelijk beleid voor steden en netwerken richt zich op voldoende ruimte voor wonen, werken en mobiliteit en de daarbij behorende voorzieningen, groen, recreatie, sport en water. In het beleid en de uitvoering daarvan is het van belang dat er een goede koppeling en bundeling plaatsvindt tussen verstedelijking, economie, infrastructuur, groen, recreatie, natuur, milieu en veiligheid.

Leefbaarheid
De achteruitgaande leefbaarheid en de tweedeling tussen arm en rijk hebben de afgelopen jaren geleid tot steeds grotere sociaal-economische en sociaal-culturele problemen in de grote steden. Om een eenzijdige sociaaleconomische samenstelling van de bevolking te voorkomen stimuleert het rijk meer variatie in het woningaanbod. Met name in de stad zijn meer hoogwaardige woonmilieus nodig. Dit vraagt enerzijds om verdichting tot hoogstedelijke milieus en anderzijds om verdunning tot groene milieus. Dit voorkomt de trek van midden en hoge inkomens uit de stad. Stedelijke vernieuwing en herstructurering blijven dringend nodig om de leefbaarheid te vergroten.

Voorliggende ontwikkeling is niet in strijd met het rijksbeleid.

2.3 Conclusie

Voorliggend bestemmingsplan is in overeenstemming met het gemeentelijk-, provinciale- en rijksbeleid. Met dit bestemmingsplan wordt een aantal beleidsuitgangspunten in het kader van het project van Amersfoort Vernieuwt daadwerkelijk geïmplementeerd.

Hoofdstuk 3 Stedenbouwkundig plan op hoodlijnen

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de gebiedsvisie op het plangebied beschreven. De visie bestaat uit verschillende elementen die vertegenwoordigd dienen te worden in het plangebied, zoals wonen, verkeer en groen.

3.2 Historische ontwikkeling

De historie van ‘De Ganskuijl e.o.’

De naam van twee straten in het plangebied, De Ganskuijl en Den Wijnbergh zijn vernoemd naar landerijen waar later boerderijen stonden. De boerderij De Ganskuijl stond ongeveer op de plek van het Corderius College. De boerderij Den Wijnbergh stond op het terrein van Sportpark Dorrestein en werd pas in 1972 gesloopt.
In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw werd een woonbuurt gebouwd tussen het park Randenbroek, de Gasthuislaan, de Bisschopsweg en de Woestijgerweg.
Pas na de Tweede Wereldoorlog werd ook aan de overzijde van de Gasthuislaan gebouwd. Amersfoort had toen, net als elders in Nederland, een groot tekort aan woningen. In deze opgave om in korte tijd veel woningen te realiseren, werden nieuwe wijken aan de oost- en zuidzijde van de historische stad gebouwd. Voor het eerst kwamen er flatgebouwen in de stad.


De wijk ‘De Ganskuijl e.o.’ dateert uit 1952-54, een tweede fase dateert uit 1962. De wijk is ontworpen door Stadsarchitect David Zuiderhoek en stedenbouwkundige Arie Rooimans, ontwerpers van naam. De tweede fase is armer qua architectuur dan de eerste fase. De wijk is een toonaangevend voorbeeld van de nieuwe stedenbouw, waarbij de uitgangspunten waren: veel licht, lucht en ruimte voor de ‘gewone’ Amersfoorter.

Deze kwaliteiten zijn onder andere te zien aan:

• woonblokken die op grote afstand van elkaar staan in een glooiend landschap;

• zorgvuldig vormgegeven architectuur;

• bakstenen gevels met fraaie versieringen, balkons met opvallende hekwerken en slanke kolommen.


Het projectgebied ‘De Ganskuijl e.o.’ is hierdoor een goed voorbeeld van de ‘Wederopbouwperiode’ in Amersfoort. Er dient echter wel veel te gebeuren om de oorspronkelijke kwaliteit en de leefbaarheid in de wijk terug te brengen. De woningen zijn echt toe aan een grote opknapbeurt en dat geldt ook voor de openbare ruimte.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00100-0301_0006.png"

De woningen aan de noordijze van de Gasthuislaan maken onderdeel uit van een stedenbouwkundig ensemble; de woningen vormen de ruggegraat van het totaal, waarlangs het plandeel aan de zuidzijde in de vertande stroken is gestructureerd.

3.3 Ruimtelijke opbouw

3.3.1 Stedenbouwkundige aspecten

3.3.1.1 Inleiding

In het kader van het programma Amersfoort Vernieuwt is het gebied tussen de Gasthuislaan en de Den Wijnbergh aan de beurt voor een flinke verbeterslag. In dit gebied worden 4 portieketageflats aan de Den Wijnbergh gerenoveerd en 6 portieketageflats aan de Gasthuislaan worden gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Het doel is om goede woningen te realiseren met een eigentijds wooncomfort, praktische plattegronden, gelegen in een mooie omgeving met als eindresultaat een vitale wijk.

Op 14 januari 2014 heeft de gemeenteraad het “Stedenbouwkundig plan op hoofdlijnen en beeldkwaliteitsplan” voor het project Herontwikkeling “De Ganskuijl e.o.” d.d. 15 oktober 2013 vastgesteld. Genoemd plan is als bijlage 1 bij de toelichting opgenomen.

3.3.1.2 Stedenbouwkundig- en beeldkwaliteitsplan en Welstandsnota

Vertrekpunt voor het stedenbouwkundig plan is het model waarbij sprake is van handhaving en renovatie van de vier blokken aan Den Wijnbergh en sloop/herontwikkeling van de blokken langs de Gasthuislaan en het ‘solitaire’ blok aan de westzijde van De Ganskuijl. Renovatie en nieuwbouw van de blokken vinden plaats in nauwe samenhang met de herinrichting (upgrading) van het openbaar gebied.


De oorspronkelijke kwaliteit van het complex is uitgangspunt voor de gecombineerde renovatie en sloop nieuwbouw en voor de herinrichting van de openbare ruimte. Randvoorwaarden zijn o.a. :

o Respecteren van de oorspronkelijk ruimtelijke hoofdopzet;

o Samenhang in de omvang en uitstraling van de bouwblokken / woningen;

o De woningen die omringd zijn door openbaar gebied dienen naar alle hieraan grenzende zijden en representatieve uitstraling hebben die toekomstbestendig is;

o Er wordt een inrichtingsplan voor de buitenruimte opgesteld.

o Vermindering van parkeer- en verkeersdruk in het gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00100-0301_0007.png"

Beeldkwaliteitsplan

Het beeldkwaliteitplan gaat in op de architectuur van de woningen, de uitstraling van het groen, bomen, speel- en ontmoetingsplekken, verkeer en parkeren. Het beeldkwaliteitplan is het toetsingskader voor de Stadsbouwmeester bij de beoordeling van de woningontwerpen en vormt het vertrekpunt voor het nog op te stellen inrichtingsplan voor de openbare ruimte. Het plangebied De Ganskuijl e.o. is in de jaren ’50-’60 gebouwd en vormt een soort naoorlogse enclave in een vooroorlogse omgeving. Uitgangspunt voor de architectuur is de realisatie van eigentijdse woningen die aansluiting vinden bij de uitstraling van deze unieke buurt.

Welstandsnota

Voordat het beeldkwaliteitsplan deel uit kan maken van de welstandsnota zal er inspraak moeten hebben plaatsgevonden. Vandaar dat het beeldkwaliteitsplan tegelijkertijd met het ontwerpbestemmingsplan De Ganskuijl ter inzage zal worden gelegd.

3.3.1.3 Cultuurhistorische waarde

Randvoorwaarde is dat de te renoveren blokken zoveel mogelijk hun eigen kwaliteit behouden. Voor de nieuwbouw geldt dat deze zich moet voegen in de huidige stedenbouwkundige structuur van het gebied. Dit vraagt om een specifieke woningtypologie, die verbinding weet te maken tussen heden en verleden en ervoor zorgt dat de architectonische en stedenbouwkundige samenhang in het gebied blijft bestaan. De complexiteit van deze opgave zit hem vooral in de wijze waarop appartementenblokken kunnen worden vervangen door eengezinswoningen, zonder dat daarbij de bijzondere stedenbouwkundige opzet verloren gaat.

De cultuurhistorische waarden van "De Ganskuijl e.o." zijn in hoofdzaak

  • Ensemble dat zich kenmerkt door een grote samenhang in stedenbouw, landschappelijke aanleg, architectuur en buitenruimte; de oorspronkelijk zorgvuldig ontworpen open binnenruimte met de blokken haaks op de weg wordt afgesloten door een reeks bouwblokken evenwijdig aan de weg;
  • Gaaf voorbeeld van Wederopbouwarchitectuur, waarin het handschrift van de stadsarchitect Zuiderhoek en de stedenbouwkundige Rooimans herkenbaar aanwezig is;
  • De architectuur van de blokken met de oorspronkelijke verschijningsvorm is van bijzondere waarde; de latere blokken passen binnen de stedenbouwkundige structuur maar zijn architectonisch van minder betekenis;
  • De buitenruimte was van oorsprong van buitengewoon hoge ruimtelijke betekenis en vormde de drager van het complex. Deze kwaliteiten zijn door parkeerproblemen, intensief gebruik en verlaging van het onderhoudsniveau van de openbare ruimte verminderd. De huidige uitstraling is van invloed op de vitaliteit en dient versterkt te worden.
  • Samenhang met architectonisch waardevolle panden uit de Wederopbouwperiode te weten Corderius College (Van Hoogevest) en patioschool (Zuiderhoek);

Bij de keuze voor gedeeltelijk behoud en gedeeltelijk nieuwbouw lijkt het mogelijk dat zowel de cultuurhistorische waarden (stedenbouw, landschappelijke aanleg, architectuur en buitenruimte) worden behouden en dat door toevoeging van nieuwe onderdelen een programma wordt gerealiseerd, dat een hogere vitaliteit en leefbaarheid garandeert. Uitgangspunt is behoud van de oorspronkelijke stedenbouwkundige opzet en landschappelijke aanleg, behoud c.q. transformatie van de oorspronkelijke blokken en nieuwbouw op de plaats van de architectonisch minder waardevolle blokken.

De doelstelling is onder andere:

  • a. Behoud cultuurhistorisch waardevolle objecten en ensembles/complexen, waardoor de ontstaansgeschiedenis van de stad lees- en tastbaar is voor komende generaties;
  • b. Objecten en complexen moeten mede door restauratie/renovatie vitaal en leefbaar blijven/worden;
  • c. Herbestemming en functieverandering dienen enerzijds de vitaliteit van het object/ensemble te versterken en anderzijds in overeenstemming te zijn met de cultuurhistorische waarden van het object/complex;
  • d. Toevoegingen aan objecten/complex zijn mogelijk, mits deze de cultuurhistorische waarden respecteren en zo mogelijk een meerwaarde voor het geheel betekenen.

3.3.1.4 Wonen

Het streven om diversiteit in het woningaanbod te creëren, draagt bij aan het verminderen van de eenzijdige samenstelling van de woningvoorraad en kan de leefbaarheid vergroten. Ook kan de diversiteit in het woningaanbod zorgen voor meer mogelijkheden voor bewoners die wooncarrière willen maken in de wijk. Naast het creëren van meer diversiteit in de wijk zorgt renovatie van bestaande woningen voor een verbeterde woningkwaliteit en meer wooncomfort.
Daarbij kan aanpak van de openbare ruimte zorgen voor een hogere woonkwaliteit en waardering van de leefomgeving.

Programma

Het voorliggende plan gaat uit van een deel renovatie (de blokken aan Den Wijnbergh) en een deel sloop/nieuwbouw (de blokken aan de Gasthuislaan).

In de huidige situatie betreft het 190 huurwoningen. In de nieuwe situatie wordt uitgegaan van circa 170 woningen, het programma ziet er als volgt uit:
ca. 100 sociale huurappartementen worden gerenoveerd, ca. 18 sociale huurappartementen zijn zorggerelateerd waaronder slaapunits, ca. 28 eengezinswoningen in de sociale huur en ca. 26 eengezinswoningen in de koopsector.

Woonkwaliteit

De woningen voldoen aan de Basiseisen woningbouw en woonomgeving. Dit geldt voor nieuwbouw en is voor renovatie wenselijk. Appartementen worden ten minste ontwikkeld op het niveau van 3-sterren van het sterrensysteem voor rolstoeltoegankelijk- en rollatordoorgankelijkheid.

Woonomgeving

De woonomgeving voldoet aan de Basiseisen woningbouw en woonomgeving.

stedenbouwkundig

Woningbehoefteonderzoek De Ganskuijl

Er is een woningbehoefteonderzoek uitgevoerd voor De Ganskuijl, d.d. 2 september 2014, projectnummer: 130221. Genoemd onderzoek is als bijlage 2 bij de toelichting opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00100-0301_0008.png"

In genoemd onderzoek wordt geconstateerd dat de woningbouwproductie de afgelopen jaren is gestagneerd. Ook is geconstateerd dat er wel behoefte is aan woningen en dat er nog locaties nodig zijn om in deze behoefte te kunnen voorzien. De locatie Ganskuijl voorziet in een betere aansluiting op de vraag naar woningen. Niet zozeer in aantallen; er is immers een afname van het aantal woningen, maar wel in kwalitatieve zin.

3.3.1.5 Bomen en Groene saldoregeling

Bomen

Het is niet mogelijk om de meeste bomen te behouden. In het plangebied staan bomen in het openbaar gebied. De nieuwe stedenbouwkundige plattegrond met grondgebonden woningen met tuinen, het slopen van de woningen en het verleggen van wegen maken het onmogelijk om de bomen duurzaam te handhaven. Er komt een substantieel aantal nieuwe bomen voor terug.

Een waardevolle beuk aan de Jacob van Bilerstraat moet behouden worden en twee berken worden vanwege hun verschijningsvorm en omvang behouden.

In het nog op te stellen inrichtingsplan zal de inrichting van de openbare ruimte, inclusief de plaats voor de nieuwe bomen, nader worden uitgewerkt. Hierbij zal onder meer gekeken worden naar de (boven- en ondergrondse) groeiplaats en de ligging van nutsvoorzieningen, paden en wegen en bebouwing.

Groene saldoregeling

In de herontwikkeling van het gebied ‘De Ganskuijl e.o.’ wordt het uitgangspunt van de groene saldoregeling, namelijk dat bestaande groene kwaliteiten niet aan waarde mogen inboeten, als ontwerpuitgangspunt tamelijk letterlijk gehanteerd: er komen in de hoofdopzet dezelfde, of tenminste zeer vergelijkbare groene tussenruimtes. De Groene saldoregeling is opgenomen in bijlage 1. Voor een nadere uitwerking wordt verwezen naar de paragraaf 4.8.7 en 4.8.8.

3.3.1.6 Verkeer en Parkeren

Verkeersstructuur

Een belangrijke transformatie in de verkeersstructuur is het wegnemen van De Ganskuijl als auto- en parkeerstrook uit het plan. Het plangebied wordt via de randen ontsloten en tussen de gebouwen in worden op enkele plekken smalle wegen gerealiseerd die de ontsluiting vormen voor de appartementen en eengezinswoningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00100-0301_0009.png"

Verkeersstructuur

De garageboxen aan Den Wijnbergh zullen worden gesloopt om ruimte te maken voor de benodigde dwarsparkeerplaatsen.

Op de plek van de voormalige De Ganskuijl wordt een wandelpad aangelegd. Dit pad krijgt door glooiingen en flauwe bochten een landschappelijk karakter. In de nabijheid van de kruising van deze route en de langsstraten kunnen op goed overzichtelijke plaatsen enkele speel- of zitplekken worden aangelegd.

Het creëren van de hoofdontsluiting via de randen van het plangebied heeft een groot aantal voordelen. Zo kan de groenstructuur in de dwarsrichting over het gehele plangebied doorlopen, waardoor het plangebied meer een parkachtige sfeer krijgt. Het parkeren wordt nu verspreid over het plangebied gerealiseerd, meer in balans met de spreiding van woningen.

Het parkeren

De aanwezige parkeerplaatsen zijn nu hoofdzakelijk geconcentreerd langs De Ganskuijl en Den Wijnbergh. Het stedenbouwkundig plan heeft een parkeeroplossing waarin de parkeerplaatsen meer verspreid zijn over het plangebied en ingepast zijn in de ruimtelijke en landschappelijke planopzet. Het aantal parkeerplaatsen in het plan komt overeen met het aantal gevraagde parkeerplaatsen conform de geldende parkeernorm.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Inleiding

De hoofdlijnen van het milieubeleid worden bepaald door Europa en het Rijk. Binnen de Provincie Utrecht is het Provinciaal Milieubeleidsplan 2004-2008 richtinggevend. Afhankelijk van de uitwerking van de verschillende gebieden moet milieuonderzoek worden uitgevoerd om te bepalen of er en zo ja welke milieuhygiënische belemmeringen in de gebieden van dit bestemmingsplan aanwezig zijn.
Bestaande milieuhinder, zoals geluidhinder van bestaande wegen, kan in beginsel niet via het bestemmingsplan worden verminderd, voor zolang de bestaande situatie wordt gehandhaafd. Pas als nieuwe, ruimtelijke ontwikkelingen in het bestemmingsplan worden nagestreefd - bijvoorbeeld nieuwe woningen, nieuwe bedrijfsfuncties– kan dit worden vastgelegd met een bestemming die past binnen de (ruimtelijk relevante) milieunormen.

4.1.1 Bodem-,Water- en Milieuplan 2016-2021

Het Provinciaal Milieubeleidsplan 2009-2011 geldt niet meer. Er wordt momenteel gewerkt aan een tijdelijke 'opvolger' van het Provinciaal Milieubeleidsplan 2009-2001 dit plan totdat de Omgevingswet er is. Deze opvolger is het Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021. Het ontwerp Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021 ligt van vrijdag 9 januari tot en met donderdag 19 februari 2015 ter inzage.

4.1.2 Milieubeleidsplan Amersfoort 2008-2011

In het milieubeleidsplan formuleert de gemeente Amersfoort haar ambities op het gebied van milieu. In het plan worden drie milieuthema's onderscheiden, 'Gezond en Veilig', 'Klimaat en Energie' en 'Natuur en biodiversiteit'.

 

4.2 Water

4.2.1 Europese Kaderrichtlijn Water (2000)

De Europese Kaderrichtlijn Water gaat er vanuit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn is daarop gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater. Dat moet ertoe leiden dat: aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed; verbetering van emissies; duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn; er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater.

4.2.2 Nationaal Waterplan (2009)

Het Nationale Waterplan (NWP) is de opvolger van de vierde nota waterhuishouding en geeft het kader voor het waterbeheer voor Nederland, nu en in de toekomst. Het NWP is het rijksplan voor het waterbeleid. het NWP beschrijft de maatregelen die in de periode 2009-2015 genomen moeten woren om Nederland ook voor de toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

4.2.3 Waterplan provincie Utrecht

Het Provinciaal Waterplan 2010-2015 is mede kader voor de wijze waarop omgegaan wordt met water in het plangebied. De doelstelling van het plan is: een veilig en bewoonbaar land. Het plan geeft de gewenste ontwikkelingen in het waterbeheer in de provincie Utrecht aan.Hierbij is rekening gehouden met de Europese kaderrichtlijn water en het beleid Waterbeheer 21e eeuw (WB21). Het thema “water als ordenend principe” loopt als een rode draad door het gehele plan. Dit houdt in dat, voordat er beslissingen worden genomen op ruimtelijk gebied,er wordt bekeken welke gevolgen die hebben voor watersystemen.

4.2.4 Waterbeheersplan Waterschap Vallei en Eem

In het Waterbeheersplan 2010 - 2015 heeft Waterschap Vallei & Eem zijn ambities en uitvoeringsprogramma vastgelegd voor de periode 2010 tot en met 2015. Het plan bepaalt in grote lijnen de agenda van Waterschap Vallei & Eem voor de komende zes jaar. Dit plan is mede kader voor de wijze waarop omgegaan wordt met water in het plangebied.

4.2.5 Waterplan gemeente Amersfoort 2005-2015

Het Waterplan Amersfoort 2005-2015 is het kader voor integraal en duurzaam waterbeheer in Amersfoort. Het plan is gezamenlijk opgesteld door de Gemeente Amersfoort, Waterschap Vallei & Eem en Hydron Midden-Nederland. Het Waterplan Amersfoort is gebaseerd op een integrale beschouwing van het systeem van oppervlaktewater, ondiep grondwater en de waterketen vanaf de inzameling van afvalwater tot en met de zuivering van afvalwater.

Aan de hand van drie streefbeelden wordt geschetst hoe het waterbeheer er in 2030 uit zou moeten zien: water met allure, water van de wijk en water voor natuur. Het gaat hierbij met name om het oppervlaktewatersysteem en het ondiepe grondwater en de interactie tussen de waterketen en het oppervlaktewatersysteem.

4.2.6 Gemeentelijk rioleringsplan 2012-2021

De afgelopen planperiode 2007-2011 werden de 'Wet gemeentelijke watertaken' en de Waterwet van kracht. Met deze wetten zijn de gemeentelijke watertaken verbreed en hebben gemeenten de zorgtaak gekregen voor het:


- Doelmatig inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater (Wet milieubeheer, artikel 10.33),

- Inzamelen en verwerken van hemelwater dat redelijkerwijs niet op particulier terrein kan worden verwerkt (Waterwet, artikel 3.5), en

- Treffen van doelmatige maatregelen tegen structurele grondwateroverlast en verwerking van ingezameld grondwater (Waterwet, artikel 3.6).


De beleidsmatige invulling van deze (verbrede) gemeentelijke watertaken wordt vastgelegd in het wettelijke verplichte gemeentelijke rioleringsplan (Wet milieubeheer, artikel 4.22), daarom ook wel het 'verbreed gemeentelijke rioleringsplan' genoemd.

4.2.7 Watertoets

Bij ruimtelijke plannen geldt vanaf 1 november 2003 de wettelijke verplichting van een waterparagraaf/watertoets. De watertoets is één van de pijlers van het Waterbeleid voor de 21 eeuw, waarin aan water een meesturende rol in de ruimtelijke ordening is toegekend. Met de watertoets wordt beoogd waterbeheerders vroegtijdig in het ruimtelijke ordeningsproces te betrekken. De watertoets betreft het hele proces van informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van een waterparagraaf is een samenhangend beeld te geven van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met duurzaam waterbeheer en de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het voorkomen van negatieve effecten op de waterhuishouding staat bij de watertoets voorop. Dan pas komen inrichtingsmaatregelen en compensatie in beeld.

4.2.8 Water in relatie tot het plangebied

Oppervlaktewater.

In dit plan is geen oppervlaktewater aanwezig.


Hemelwater

Het is van belang dat het grondwater wordt beschermd tegen vervuiling, ook in stedelijk gebied. Om hieraan bij te dragen mogen bij ruimtelijke ontwikkelingen geen uitloogbare materialen worden gebruikt zoals koper, lood, zink en geïmpregneerd hout op plekken waar die met regenwater in aanraking kunnen komen.

Het regenwater in het plangebied moet zoveel mogelijk worden verwerkt op eigen terrein, bijvoorbeeld door infiltratie in de bodem. Alleen als dit niet mogelijk is, moet het gescheiden worden aangeboden op het gemeentelijke riool.

Grondwater

De grondwaterstand in de omgeving van De Ganskuijl varieert ongeveer tussen 1,4 en 3,0 meter beneden maaiveld. Onderzoek naar klimaatgevolgen heeft uitgewezen dat de grondwaterstand ten gevolge van klimaatontwikkelingen op verschillende locaties in Amersfoort nog zo'n 20 tot 30 cm gaat stijgen. In onderstaand figuur is het worst case scenario te zien voor Amersfoort.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00100-0301_0010.png"

Voor nieuwe ontwikkelingen geldt dat deze zo moeten worden geordend en ingericht dat dit past bij de bestaande grondwaterstanden. Om problemen door grondwateroverlast in de toekomst te voorkomen moeten eventuele kelders en parkeergarages tot aan maaiveld waterdicht zijn.


Riolering

In het gebied is een gemengd rioolsysteem aanwezig. Dit houdt in dat het afvalwater en regenwater door hetzelfde stelsel wordt afgevoerd. Dit gemengde systeem wordt bij de herontwikkeling van het gebied omgebouwd tot een gescheiden stelsel.


Compensatie

In het plangebied vindt geen toename plaats van verhard oppervlak. Om deze reden is watercompensatie niet nodig.

4.3 Luchtkwaliteit

4.3.1 Wettelijk kader

Uit de Wet luchtkwaliteit volgt dat een voorgenomen ontwikkeling vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit inpasbaar is indien in ieder geval aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • 1. Er worden geen grenswaarden voor de luchtkwaliteit overschreden;
  • 2. Er treedt geen verslechtering van de luchtkwaliteit op, of er vindt per saldo een verbetering van de luchtkwaliteit plaats door compenserende maatregelen;
  • 3. De voorgenomen ontwikkeling draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging;
  • 4. De voorgenomen ontwikkeling is onderdeel van het Nationaal Samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL).


Ad. 3 Regeling NIBM geeft voor een aantal categorieën van projecten een (getalsmatige) invulling aan de NIBM-grens. Eén van die categorieën zijn woningbouwlocaties. Indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvat, dan wel in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer bedraagt dan 3000 woningen dan is er sprake van een NIBM project.
Indien een voorgenomen ontwikkeling binnen de begrenzing van de Regeling NIBM valt is verdere toetsing aan de grenswaarden niet nodig mits de voorgenomen ontwikkeling niet valt onder het Besluit gevoelige bestemmingen.


Besluit gevoelige bestemmingen

Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Met deze amvb wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen', zoals scholen, kinderdagverblijven, verzorging-, verpleeg- en bejaardenhuizen, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein.

4.3.2 Luchtkwaliteit in relatie tot het plangebied

In de huidige situatie betreft het 190 huurwoningen. In de nieuwe situatie wordt uitgegaan van circa 170 woningen. Er worden dus minder woningen gerealiseerd dan er worden gesloopt. Dat betekent ook dat de verkeersaantrekkende werking van het gebied naar verwachting zal afnemen. De luchtkwaliteit zal als gevolg van dit plan dus niet verslechteren.

In de huidige situatie wordt in en om het plangebied al voldaan aan de geldende grenswaarden voor fijn stof en stikstofdioxide (zie www.nsl-monitoring.nl). Dit, gecombineerd met het feit dat de verkeersaantrekkende werking zal afnemen, betekent dat luchtkwaliteit geen belemmering is voor het plan.

4.4 Externe veiligheid

4.4.1 Beleid en normstelling

Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen in de directe omgeving lopen als gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt en transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De aan deze activiteiten verboden risico’s moeten aanvaardbaar blijven.

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door leidingen.
4.4.2 Plaatsgebonden risico en groepsrisico

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor bedrijvigheid staat dit in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat dit in de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Zowel in het besluit als in de circulaire zijn de centrale begrippen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken ) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur.

Het groepsrisico (GR) drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De normen voor het GR hebben een oriënterende waarde (inspanningsverplichting). Indien de oriënterende waarde voor het GR wordt overschreden, legt dit in het algemeen ook ruimtelijke beperkingen op aan een gebied buiten de 10-6-contour (PR).

4.4.3 Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke

Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is in augustus 2004 de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen vastgesteld. In deze circulaire staat het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. In nieuwe situaties geldt voor het plaatsgebonden risico een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten op een niveau van 10-6 per jaar. Uit de circulaire blijkt dat op meer dan 200 meter afstand van een aangewezen route gevaarlijke stoffen het aspect externe veiligheid geen beperkingen oplegt aan de het ruimtegebruik. Uit de circulaire blijkt verder dat bij het vervoer van gevaarlijke stoffen beargumenteerd van de grenswaarde, richtwaarde en oriënterende waarde mag worden afgeweken.

In 2012 treedt het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev) in werking. Tot die tijd is de genoemde circulaire van toepassing.

4.4.4 Besluit externe veiligheid buisleidingen

Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).

4.4.5 Externe veiligheid in relatie tot het plangebied

Voor het plangebied is beoordeeld of sprake is van activiteiten met gevaarlijke stoffen in en in de omgeving van het plangebied, die mogelijk risico's zouden kunnen opleveren. Meer specifiek is gekeken naar de aanwezigheid van bedrijven die zijn aangewezen in het BEVI, waaronder LPG-tankstations, transportroutes over weg, spoor en water.

De conclusie is dat in voorliggend plangebied hier geen sprake van is. Het plangebied ligt op korte afstand van het spoor ('Ponlijn'), maar over dit traject worden geen gevaarlijke stoffen vervoerd. De afstand tot de snelweg is meer dan 750 meter. Ook het spooremplacement bevindt zich op grote afstand van het plangebied, namelijk ongeveer 1500 meter. Hier komt bij dat het aantal kwetsbare objecten (woningen) in het plangebied wordt verlaagd, nu er minder woningen worden gerealiseerd dan er worden gesloopt. Externe veiligheid levert geen belemmeringen op voor het plan.

4.5 Bodem

4.5.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro)

Volgens het Bro zullen burgemeester en wethouders in verband met de uitvoerbaarheid van het plan onder meer een onderzoek verrichten naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op daarvoor geschikte gronden te worden gerealiseerd.

4.5.2 Wet bodembescherming

De Wet Bodembescherming bevat de voorwaarden die kunnen en worden verbonden aan het verrichten van handelingen in of op de bodem. Primair komt bescherming en sanering in de wet aan bod. De wet heeft betrekking op zowel landbodems als waterbodems. De Wet bodembescherming geeft aan wanneer er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en of er dan ook gesaneerd moet worden.

De hoeveelheid grond dan wel grondwater (beide in m³) en de mate van vervuiling, gemiddeld boven de interventiewaarde, zijn de criteria voor een geval van ernstige bodemverontreiniging.

De interventiewaarde is de waarde, waarboven er risico’s zijn voor mens, flora en fauna. De spoedeisendheid, de noodzaak om te saneren, hangt hiervan af maar ook van de mate van verspreiding van de bodemverontreiniging.

Voor gevallen van ernstige bodemverontreiniging is er bij niet gewijzigd grondgebruik soms geen noodzaak tot saneren. Voorbeelden zijn voormalige stortplaatsen en kleine verontreinigingen in het diepere grondwater.

De gevallen van ernstige bodemverontreinigingen zijn door de Gemeente Amersfoort in beeld gebracht. In een aantal gevallen is in een beschikking Wet bodembescherming aangegeven wat er met een geval van ernstige bodemverontreiniging moet gebeuren. Nadat er is gesaneerd, kunnen er restverontreinigingen aanwezig zijn. Soms zijn er gebruiksbeperkingen.

4.5.3 Besluit bodemkwaliteit

In 2013 is de Nota grondbeheer gemeente Amersfoort opgesteld met daarin opgenomen een bodemkwaliteitskaart en een bodembeheerplan voor de gehele gemeente opgesteld. Op deze kaart ligt het bestemmingsplangebied “De Ganskuijl” in een zone die op basis van de bodemkwaliteitskaart is gekwalificeerd als “kwaliteit wonen (gebiedsspecifiek). Grondverzet kan plaatsvinden conform het Besluit Bodemkwaliteit.

4.5.4 Bodem in relatie tot het plangebied

In het plangebied en in de nabije omgeving zijn de gegevens van 6 bodemonderzoeken bekend en een recent onderzoek van het plangebied uit 2013. Uit deze gegevens blijkt dat de bodemkwaliteit vrijwel overal in overeenstemming is met het gewenste gebruik. Voor 3 plekken wordt een aanvullend onderzoek aanbevolen.

4.5.5 Bodemenergie

Met de invoering van de AMvB Bodemenergie op 1 juli 2013 worden de regels voor open bodemenergiesystemen geharmoniseerd en de proceduretijd verkort. Daarnaast voert de AMvB regels in voor gesloten bodemenergiesystemen, die tot 1 juli 2013 nog geen wettelijk kader kenden. Bij bodemenergiesystemen wordt onderscheid gemaakt tussen open en gesloten systemen. De open systemen circuleren grondwater en worden 'Warmte Koude Opslagsystemen' (WKO) genoemd. De gesloten systemen wisselen warmte en koude uit via een gesloten buizenstelsel in de ondergrond en worden daarom 'Bodemwarmtewisselaars' genoemd. De open systemen hebben een vergunningplicht, de gesloten systemen hebben een meldingsplicht. Binnen het plangebied zijn goede mogelijkheden voor ondergrondse energieopslag voor open en gesloten systemen. In het plangebied zijn nog geen ondergrondse energiesystemen gerealiseerd.

4.6 Geluid

4.6.1 Wet geluidhinder

De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor- ) wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd dient te worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten.

Bij vaststelling van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van de Wgh aan de orde:

  • het bestemmen van gronden voor nieuwe of gewijzigde geluidgevoelige objecten nabij (spoor-) wegen en industrieterreinen;
  • het bestemmen van gronden voor de realisatie of wijziging van (spoor-) wegen (met uitzondering van rijksinfrastructuur, zie § 5.8.2) en industrieterreinen;
  • het wijzigen van zonegrenzen van industrieterreinen.

De Wgh werkt met een systeem van voorkeursgrenswaarden en maximaal toegestane geluidsbelastingen. Indien een voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, kan onder bepaalde voorwaarden een hogere grenswaarde worden vastgesteld. Hierbij mag de geluidsbelasting nooit hoger zijn dan de maximaal toegestane geluidsbelasting. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort.

4.6.2 Swung 1

Per 1 juli 2012 is Swung 1 in werking getreden. Het gaat om een wijziging van de Wet milieubeheer die onder andere heeft geresulteerd in de invoering van geluidsproductieplafonds voor rijksinfrastructuur (rijkswegen en spoorwegen). Een geluidsproductieplafond geeft de toegestane geluidsproductie (geluidwaarde in Lden) vanwege een weg of spoorweg aan. Geluidsproductieplafonds gelden op referentiepunten langs rijkswegen en spoorwegen. De ligging van de referentiepunten, de grenswaarden en de bijbehorende gegevens zijn opgenomen in een openbaar, elektronisch toegankelijk geluidsregister. De wegbeheerders (Rijkswaterstaat en Prorail) moeten aan de grenswaarden op de referentiepunten voldoen en dat jaarlijks aantonen.
De nieuwe regels zijn, wat de rijksinfrastructuur betreft, in plaats gekomen van de regels in de Wet geluidhinder omtrent de aanleg en reconstructie van een weg en de aanleg of wijziging van een spoorweg. Bij bouwen langs rijkswegen en spoorwegen blijft de Wet geluidhinder gelden, maar moet bij de berekening van de geluidsbelasting gebruik gemaakt worden van de brongegevens uit het register. Ook op decentraal beheerde wegen en spoorwegen blijft de Wet geluidhinder van toepassing.

4.6.3 Verkeerslawaai

In de Wgh is bepaald dat elke weg van rechtswege een geluidszone heeft (Wgh art. 74 lid 1). Een uitzondering hierop zijn wegen die zijn gelegen in een 30 km/uur-zone of in een woonerf. De breedte van de geluidszones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van een weg (zie tabel 1).


Tabel 1 zones langs wegen

  aantal rijstroken   zonebreedte (meter)  
stedelijk gebied   1 of 2   200  
  3 of meer   350  
buitenstedelijk gebied   1 of 2   250  
  3 of 4   400  
  5 of meer   600  

 

In geval van een nieuwe of gewijzigde weg of nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen is akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen.
De voorkeursgrenswaarde voor geluidsgevoelige bestemmingen bedraagt in de meeste gevallen 48 dB (Lden). De maximaal toegestane geluidsbelasting bedraagt 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie.

De om en in het plangebied De Ganskuijl e.o. gelegen wegen en hebben allen 1 of 2 rijstroken en derhalve een geluidszone van 200 meter (stedelijk gebied).

De 30 km/uur wegen beschikken niet over een geluidszone. De effecten van deze wegen worden, in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel bepaald.

4.6.4 Spoorweglawaai

Spoorwegen hebben een zone, waarvan de breedte afhankelijk is van de hoogte van het geluidsproductieplafond. In artikel 1.4 en artikel 1.4a van het Besluit geluidhinder is de breedte van de zone aangegeven. De zonebreedte varieert van 100 tot 1.200 meter. Bij ontwikkelingen rond geluidsgevoelige bestemmingen in de zone of wijzigingen aan de spoorlijn moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen.

De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 55 en 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie.

4.6.5 Industrielawaai

Rondom industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers, is op grond van art. 41 van de Wgh een geluidszone vastgesteld. In geval van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone of een wijziging aan het industrieterrein of de geluidszone is een akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen.

De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 50 en 65 dB(A) (Letm), afhankelijk van de situatie. Buiten de zone mag de geluidsbelasting nooit meer dan 50 dB(A) (Letm) bedragen. Er dient te worden gewaarborgd dat deze waarde, en de eventuele vastgestelde hogere grenswaarden, niet worden overschreden. Middels zogenaamd zonebeheer wordt daarvoor continu de totale vergunde geluidsbelasting vanwege het industrieterrein beheerd.

4.6.6 Geluidsnota gemeente Amersfoort

De gemeente heeft beleid opgesteld met betrekking tot het vaststellen van hogere grenswaarden (Geluidsnota gemeente Amersfoort, november 2008). Hierin zijn criteria en voorwaarden opgenomen die aan de hogere grenswaarde worden verbonden. In 2015 wordt het geluidbeleid geactualiseerd.

4.6.7 Geluid in relatie tot het plangebied

In het plangebied worden appartementengebouwen gesloopt en eengezinswoningen en een appartementengebouw gerealiseerd. Hiervoor is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Herontwikkeling gebied De Ganskuijl - Gasthuislaan te Amersfoort. Akoestisch onderzoek. Alcedo bv, rapportnummer 20123918.R02.V01, d.d. 21 november 2014), dat is opgenomen als bijlage 4 bij de toelichting.

De geluidsbelasting vanwege de Gasthuislaan bedraagt ten hoogste 55 dB ter plaatse van de meest nabij gelegen eengezinswoningen. Ter plaatse van het appartementengebouw bedraagt de geluidsbelasting ten hoogste 52 dB. Alle woningen beschikken over een geluidsluwe gevel met een geluidsbelasting niet hoger dan 48 dB.

Vanwege de nieuwe ontsluitingsweg (30 km/uur) bedraagt de geluidsbelasting ten hoogste 49 dB ter plaatse van de meest nabijgelegen eengezinswoningen. Alle eengezinswoningen beschikken over een geluidsluwe gevel met een geluidsbelasting niet hoger dan 48 dB.

Vanwege de overige (30 km/uur) wegen wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden. Uit het onderzoek dat behoort bij de planvorming van de Kersenbaan en de hierop gebaseerde hogere grenswaarden, blijkt echter dat er als gevolg van de Kersenbaan geen overschrijding van de voorkeursgrenswaarde kan optreden.

De cumulatieve geluidsbelasting vanwege alleen de gezoneerde geluidsbronnen heeft in dit geval alleen betrekking op de geluidsbelasting vanwege de Gasthuislaan. Deze bedraagt ten hoogste 60 dB (exclusief de aftrek ex artikel 110g van de Wet geluidhinder). In het kader van goede ruimtelijke ordening is ook de cumulatieve geluidsbelasting vanwege alle wegen (inclusief 30 km/uur wegen bepaald). Deze bedraagt eveneens ten hoogste 60 dB (exclusief aftrek ex artikel 110g Wgh).

Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai van de Gasthuislaan hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De optredende geluidsbelasting bedraagt ten hoogste 60 dB (exclusief aftrek ex artikel 110g Wgh). De geluidsbelasting overschrijdt de maximaal toelaatbare grenswaarde van 63 dB voor nieuwbouw of 68 dB voor vervangende nieuwbouw niet.

Als nieuw te bouwen geluidsgevoelige bestemmingen een geluidsbelasting ondervinden boven de voorkeursgrenswaarde, moet eerst onderzocht worden of deze geluidsbelasting gereduceerd kan worden door het treffen van maatregelen aan de bron of in het overdrachtsgebied. De Gasthuislaan wordt reeds voorzien van stil asfalt. Afschermende maatregelen zijn in de onderhavige situatie stedenbouwkundig niet acceptabel. Aangezien de geluidssituatie voldoet aan zowel de wettelijke grenswaarden als aan het gemeentelijke geluidsbeleid, stellen burgemeester en wethouders tegelijkertijd met dit bestemmingsplan hogere grenswaarden vast voor de beoordelingspunten waar de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden.

Omdat hogere grenswaarden nodig zijn moet overeenkomstig het Bouwbesluit aandacht worden besteed aan de karakteristieke geluidswering van de gevels van de betreffende woningen. De karakteristieke geluidswering moet worden afgestemd op een maximaal binnenniveau van 33 dB in een verblijfsgebied en 35 dB in een verblijfsruimte. Overeenkomstig het geluidsbeleid van de gemeente Amersfoort moeten hierbij alle wegen worden betrokken (ook de 30 km/uur wegen).

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning moet een akoestisch onderzoek worden gevoegd waarin de eventueel aanvullend benodigde geluidswerende maatregelen zijn aangegeven.

4.6.8 Conclusie

Bij een aantal woningen is de geluidbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde. De maximaal toelaatbare grenswaarde wordt niet overschreden. Omdat al een stil wegdek wordt toegepast en afschermende maatregelen stedenbouwkundig niet acceptabel zijn, stellen burgemeester en wethouders hogere grenswaarden vast voor de betreffende woningen.

4.7 Duurzaamheid

4.7.1 Beleid

Duurzaamheid is de samenhang vinden op sociaal-cultureel, economisch en ecologisch vlak. Daarbij moeten lange termijnopgaven, zoals klimaatbestendigheid, beheersing van de verkeersdruk en energieneutrale gebouwen in het zicht blijven. Duurzaamheid speelt op verschillende schaalniveaus een rol, zowel op het niveau van de stad, de wijk als het gebouw.

Het Bouwbesluit vormt het minimaal te realiseren kwaliteitsniveau in Nederland. Bij duurzaam bouwen gaat het om maatregelen boven het wettelijke minimum. De ambities van het Rijk zijn vastgelegd in het werkprogramma 'Schoon en Zuinig: Nieuwe energie voor klimaat'. Via convenanten met o.a. het bedrijfsleven en gemeentes wordt hier invulling aan gegeven. In het convenant 'Lente-akkoord 'is afgesproken dat wordt gestreefd naar een stapsgewijse aanscherping van de energie-eisen tot energieneutrale nieuwbouw in 2020.

De gemeente stimuleert duurzaam bouwen. Duurzaamheid is een kernwaarde in het coalitieakkoord. Dit is vertaald in duurzaamheidsambities. Zo is Amersfoort in 2030 een stad zonder CO2 uitstoot. Om een bijdrage te kunnen leveren aan het duurzaamheidsprogramma van Amersfoort moet in alle stadia van het ontwerp- en bouwproces rekening worden gehouden met duurzaam en milieubewust bouwen.

In het Convenant Samen Duurzaam Woningcorporaties 2012-2016 heeft de gemeente Amersfoort afspraken gemaakt met Alliantie Regiobedrijf Amersfoort en Portaal Eemland voor een duurzaam Amersfoort. Project 'De Ganskuijl e.o.' is een project van de Alliantie en valt daarmee onder de convenantsafspraken.

4.7.2 Energie

Energie besparen en hernieuwbare energie

In de convenantafspraken is afgesproken dat de inzet van duurzame energietechnieken, zoals warmtepompen, zonnestroom en biomassa, wordt meegenomen in de haalbaarheidsstudie naar ver(der) gaande energetische ambities. Een van de mogelijkheden is de toepassing van zonnepanelen. Het deel van de nieuwbouw aan de Gasthuislaan heeft een dakvlak op het zuiden liggen. Dit biedt de mogelijkheid om effectief gebruik te maken van de zon. De dakoriëntatie van de overige woongebouwen is vooralsnog minder gunstig voor het toepassen van zonne-energie systemen.

Conform de afspraken uit het convenant Samen Duurzaam wordt zowel bij het te renoveren deel als het nieuwbouwdeel zoveel mogelijk rekening gehouden met de mogelijkheid om de woningen in de toekomst verder te verbeteren naar energieneutraliteit.

4.7.3 Prestatieafspraken duurzaam bouwen

Het college van Amerfoort heeft op 11 oktober 2011 besloten het duurzaam bouwen beleid gemeentebreed te baseren op het instrument GPR-Gebouw. Met dit instrument worden duurzaamheidsprestaties voor vijf verschillende thema's uitgedrukt in een score op een schaal van 0 tot 10, hoe lager de milieubelasting, hoe hoger de score.

Volgend uit de convenantafspraken zal in ieder geval voor alle (ver)nieuwbouwwoningen van project 'De Ganskuijl e.o.' minimaal een GPR-score worden behaald van:

  • Energie: 7,5
  • Milieu: 7,0
  • Gezondheid: 7,0
  • Gebruikskwaliteit: 7,0
  • Toekomstwaarde: 7,0
4.7.4 Materiaalgebruik nieuwbouw

Het materiaalgebruik wordt, als onderdeel van het duurzaam bouwen, steeds belangrijker. Vanaf 1 januari 2013 is het daarom vanuit het Bouwbesluit 2012 verplicht om bij nieuwbouwwoningen een milieuprestatieberekening van alle toe te passen materialen bij te voegen. Daarnaast geldt in de gemeente Amersfoort een toepassingsverbod voor uitlogende bouwmetalen (koper, lood en zink) voor zover deze worden toegepast op plaatsen die zijn blootgesteld aan weersinvloeden. Tenslotte dient uitsluitend FSC gecertificeerd hout of gemodificeerd hout of geacetyleerd hout toegepast te worden.

4.8 Flora en Fauna / ecologie

Bij het opstellen van ruimtelijke plannen is het noodzakelijk te onderzoeken in hoeverre de plannen ten koste gaan van de (aanwezige) flora en fauna. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de 'toets in het kader van gebiedsbescherming' en de 'toets in het kader van soortenbescherming'.

4.8.1 EU-Vogelrichtlijn / 1979 en EU-Habitatrichtlijn / 1992

De bescherming van de natuur is in Europees verband vastgelegd in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Beide richtlijnen dragen zorg voor zowel gebiedsbescherming als soortenbescherming. Nederland heeft de richtlijnen geïmplementeerd in respectievelijk de Natuurbeschermingswet van 1968 en 1998 (gebiedsbescherming) en de Flora- en faunawet (soortenbescherming). De gebiedsbescherming heeft betrekking op de Vogelrichtlijngebieden die het rijk heeft vastgesteld, de Habitatrichtlijngebieden die het rijk bij de Europese Commissie heeft aangemeld, de beschermde natuurmonumenten en de staatsnatuurmonumenten. Ruimtelijke ingrepen die in deze gebieden plaatsvinden dan wel in de nabijheid van beschermde natuurgebieden, moeten worden getoetst op hun effecten op deze gebieden.

4.8.2 Toets in het kader van gebiedsbescherming

De toets in het kader van gebiedsbescherming vindt zijn oorsprong in de Natuurbeschermingswet 1998 en draagt zorg voor de bescherming van natuurwaarden. De wet kent drie typen gebieden:

  • Natura 2000-gebieden;
  • Beschermde natuurmonumenten;
  • Gebieden die de Minister van LNV aanwijst ter uitvoering van verdragen of andere internationale verplichtingen (met uitzondering van verplichtingen op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn).

Plannen dan wel projecten in deze gebieden, maar ook daar buiten in verband met de zogenaamde externe werking, kunnen vergunningplichtig zijn.

Naast de gebiedsbescherming die voortkomt uit de Natuurbeschermingswet 1998 kennen we de gebiedsbescherming van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De EHS is door de provincie Utrecht begrensd in diverse natuurgebiedsplannen. Waarbij de meest recente versie nu het Natuurbeheerplan 2013 is.

Via de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) heeft de EHS planologische bescherming. Waarbij de grenzen van de EHS bijna volledig zijn overgenomen uit het natuurbeheerplan.

Nieuwe plannen, projecten of handelingen binnen en in de nabijheid van de EHS en die per saldo significant negatieve gevolgen hebben voor de te behouden waarden en kenmerken, zijn niet toegestaan, tenzij er geen reële alternatieven zijn én er sprake is van redenen van groot openbaar belang (het “nee, tenzij” principe). Op basis van een afweging tussen het te beschermen belang en het met het plan of project gemoeide belang wordt al dan niet toestemming verleend door de provincie. Wordt een plan of project na afweging van belangen toch toegestaan, dan moet een besluit worden genomen over mitigerende (mitigeren is verzachten of verlichten) en compenserende maatregelen (het zogenaamde compensatiebeginsel). Als de mitigerende maatregelen onvoldoende zijn, moeten compenserende maatregelen worden getroffen: maatregelen waarmee nieuwe waarden worden gecreëerd die vergelijkbaar zijn (in kwantiteit of kwaliteit) met de verloren gegane waarden.

4.8.3 Gebiedsbescherming in relatie tot het plangebied

Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Amersfoort en maakt geen onderdeel uit van de EHS, Natura 2000-gebied of een Beschermd Natuurmonument. De ingreep vindt lokaal plaats binnen de bebouwde kom en er worden geen uitstralende effecten verwacht met negatieve effecten op de te beschermen waarden in omliggende natuurgebieden. Voor de inventarisatie en beoordeling van natuurwaarden in het kader van natuurwet- en regelgeving in voorliggend plangebied wordt verwezen naar de Quickscan natuurtoets sloop, renovatie en nieuwbouw Ganskuijl, Amersfoort d.d. 11 januari 2013 en de Natuurtoets Ganskuijl, Amersfoort d.d. 8 oktober 2013 opgenomen als bijlage 5 en 6 bij de toelichting.

4.8.4 Toets in het kader van soortenbescherming

De toets in het kader van soortenbescherming is met de wijziging van artikel 75 van de Flora- en faunawet (1 juli 2002) wettelijk vastgelegd. Bij elk plan dat ingrijpt op standplaatsen van planten of verblijfplaatsen van dieren, dient getoetst te worden wat het effect is op beschermde soorten, die met name genoemd zijn in de Flora- en faunawet.

4.8.5 Flora- en Faunawet

De soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten (uit de groepen kevers, mieren, schelp- en schaaldieren) en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in een aantal bij de Flora en faunawet behorende besluiten.

Dat houdt in dat bij planvorming uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met de gevolgen die ruimtelijke ingrepen hebben voor de instandhouding van de beschermde soort.

Sinds 22 februari 2008 is een nieuwe AmvB in werking getreden die voorziet in een wijziging van het "Besluit beschermde dier- en plantensoorten". Deze AMvB, betekent dat het ontheffingsregime is aangepast. Met de inwerkingtreding van dit besluit zal sprake zijn van een drietal categorieën beschermingsniveaus:

  • Niveau 1: een algemene vrijstelling van in Nederland algemeen voorkomende soorten;
  • Niveau 2: een algemene vrijstelling met gedragscode voor een aantal beschermde soorten;
  • Niveau 3: streng beschermde soorten.


Tegen deze wettelijke achtergrond worden de nieuwe ontwikkelingen beoordeeld in relatie tot wettelijk beschermde planten en dieren en hun natuurlijke omgeving.

Indien het voortbestaan op locatie van beschermde soorten planten of dieren uit categorie 2 en 3 door een ingreep negatief beïnvloed worden, is het daarnaast nodig ontheffing aan te vragen van verboden handelingen op grond van de Flora- en faunawet. Het bevoegd gezag hierin is het Ministerie van LNV. De afweging van het belang van rode lijstsoorten vindt plaats in het spoor van de ruimtelijke ordening.

4.8.6 Flora- en Faunawet in relatie tot het plangebied

Voor de inventarisatie en beoordeling van natuurwaarden in het kader van natuurwet- en regelgeving in voorliggend plangebied is allereerst het rapport "Quickscan natuurtoets sloop, renovatie en nieuwbouw Ganskuijl, Amersfoort d.d. 11 januari 2013", opgesteld. Vervolgens is het rapport "Natuurtoets Ganskuijl, Amersfoort d.d. 8 oktober 2013" uitgebracht. Genoemde rapporten zijn opgenomen als bijlage 5 en 6 bij de toelichting.

Uit het rapport "Natuurtoets Ganskuijl, Amersfoort d.d. 8 oktober 2013" blijkt er beschermde soorten aangetroffen en te verwachten zijn. De aanwezige soorten zijn geen belemmering voor het uitvoeren van het bestemmingsplan.


De bevindingen worden hier weergegeven:

  • Er zijn geen beschermde of bedreigde planten in het plangebied aanwezig of te verwachten;
  • Er zijn in het plangebied geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Ook zijn er in het plangebied geen onmisbare vliegroutes en is geen belangrijk foerageergebied aanwezig. Aanwezigheid van verblijfplaatsen van zwaarder beschermde zoogdieren (anders dan vleermuizen) is niet binnen het plangebied aangetoond of te verwachten;
  • In het onderzoeksgebied zijn vaste verblijfplaatsen van enkel algemeen voorkomende, laag beschermde, grondgebonden zoogdiersoorten te verwachten;
  • Op basis van gericht onderzoek kan de aanwezigheid van jaarrond beschermde nestplaatsen van Gierzwaluw en Huismus worden uitgesloten. Ook zijn er geen andere jaarrond beschermde nestplaatsen aangetroffen en/of te verwachten;
  • In het plangebied is een aantal algemene broedvogels van de bebouwde omgeving broedend te verwachten;
  • In het plangebied is overwintering te verwachten van enkele algemene en laag beschermde amfibieën. Zwaarder beschermde soorten worden niet verwacht;
  • Er zijn geen reptielen of beschermde vissen en ongewervelden aangetroffen en/of te verwachten. Geschikte biotopen voor deze soortgroepen ontbreken.

Het vervolgtraject en mitigerende maatregelen zijn als volgt:

  • Bij de beoogde plannen verdwijnen mogelijk exemplaren en verblijfplaatsen van enkele algemene en laag beschermde kleine zoogdieren en amfibieën. Voor deze tabel 1-soorten geldt in geval van ruimtelijke ontwikkelingen automatisch vrijstelling van de ontheffingsplicht;
  • Schade aan algemene en laag beschermde zoogdieren en amfibieën kan - indien de planning van de werkzaamheden dit toelaat - geminimaliseerd worden door werkzaamheden zoveel mogelijk uit te voeren buiten de voortplantingsperiode (maart - augustus). De minst schadelijke periode is september - november (mits vorstvrij);
  • Werkzaamheden die broedbiotopen van aanwezige vogels verstoren of beschadigen dienen te allen tijde te worden voorkomen. Dit is voor de meeste soorten mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten in de periode voor begin maart en na eind juli of het onderzoeksgebied te controleren op broedende vogels en nesten binnen de invloedsfeer van de plannen. Behalve in de beplanting kunnen ook in de gebouwen vogels broeden. Voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd, maar is het van belang of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum.

4.8.7 Groene Saldo regeling

In het collegeprogramma wordt aandacht gevraagd voor het belang van groen als kwaliteitskenmerk van de woon- en leefomgeving in het kader van de binnenstedelijke vernieuwing.

"Het wijk- en buurtgroen mag namelijk niet het kind van de rekening worden bij de binnenstedelijke vernieuwing". Voorgesteld wordt om een 'groene saldoregeling' te ontwikkelen die als richtinggevend principe gehanteerd kan worden bij het maken van vernieuwingsplannen.

Amersfoort heeft met haar beleidsvisie de Groen Blauwe Structuur een goede basis voor de integrale ontwikkeling van groene en blauwe functies in handen. De binnenstedelijke vernieuwing en uiteenlopende andere ruimtelijke ontwikkelingen bieden de mogelijkheid de integrale inpassing van het groen in de stad extra te versterken.

Amersfoort Vernieuwt biedt de kans om de kwaliteit van het openbare groen in de stad integraal op te pakken en te verbeteren. Het versterken van de groene kwaliteit wordt het uitgangspunt voor elke wijk. De groene saldo regeling is de methode om dit te realiseren.

Het beoogde effect van groencompensatie is het leefbaar en gezond houden van de stad, en de natuurwaarden en soortenrijkdom in stand houden of verbeteren. Het gaat hier om de verschillende kwaliteiten en functies van het openbare groen. Hieronder vallen ook blauwe functies en speelvoorzieningen. Onder openbaar groen verstaan wij het groene deel van het publieke domein, wat voor iedereen vrij toegankelijk is en waar iedereen gebruik van kan maken.

Het compenseren van groen dient bekeken te worden op verschillende ruimtelijke schaalniveaus. Op deze manier is sturing op het bewaken van het totaal aan groen in de stad mogelijk. De compensatieregeling is een instrument wat behulpzaam is in projecten en bedoeld als ondersteuning aan het proces.

Daarnaast dient de compensatieregeling ook een ander doel, namelijk het inzichtelijk maken van besluiten over groen en bewuste afwegingen die daarbij worden gemaakt. In de bestaande wet- en regelgeving en door het aanwezige maatschappelijk bewustzijn wordt wel degelijk rekening gehouden met groen. Een compensatie instrument maakt het proces van gefundeerd afwegen van verschillende belangen inzichtelijk en draagt bij in de communicatie.

Compenseren kan op verschillende manieren gebeuren, namelijk kwantitatief, kwalitatief of financieel.

4.8.8 Groene saldoregeling in relatie tot het plangebied

Voor het stedenbouwkundig plan zijn de groene waarden beoordeeld conform de groene saldoregeling. Hiervoor zijn kwaliteiten vanuit een aantal invalshoeken beoordeeld (zoals belevingskwaliteit, beheerkwaliteit en gebruikskwaliteit) en gerelateerd aan de omvang van de omgeving waarvoor het groen een betekenis heeft. Uit deze beoordeling volgt de volgende conclusie:

In de herontwikkeling van het gebied 'De Ganskuijl e.o.' wordt het uitgangspunt van de groene saldoregeling, namelijk dat bestaande groene kwaliteiten niet aan waarde mogen inboeten, als ontwerpuitgangspunt tamelijk letterlijk gehanteerd: er komen in de hoofdopzet dezelfde, of tenminste zeer vergelijkbare groene tussenruimtes.

Deels gaat het om het behoud van de bijzondere karakteristiek van dit naoorlogse woningbouwproject, deels betekent dit dat er eigentijdse woningen worden ontwikkeld in een zeer ruime en groene setting. Kwaliteit is daarmee gegarandeerd. De beheerkwaliteit van het bestaande groen schiet tekort. In het groenontwerp van de nieuwe opzet zal beter ingespeeld kunnen worden op hedendaagse eisen en mogelijkheden van het groenbeheer voor zowel bomen als heesters. Overigens zal gras voor het overgrote deel het groene aanzien blijven bepalen.

"Per saldo" betekent de herontwikkeling van het gebied een revitalisatie van het groene karakter. Er kan gesproken worden van een duidelijke "winst".

Inventarisatie groenelementen

Binnen dit projectgebied groeien diverse groenelementen. Voor het ontwerp en de kapvergunning zijn alle groenelementen in beeld gebracht.
Hiervoor is EcoGroen Advies gevraagd de vergunningsplichtige groenelementen te inventariseren. EcoGroen Advies heeft daartoe de opgesteld.

De resultaten, opgenomen in de "Notitie ïnventarisatie groenelementen Ganskuijl Amersfoort" d.d. 7 februari 2013 welke geschikt is om ontwerpkeuzes te maken en het aanvragen van een kapvergunning. Genoemde notitie is als bijlage 7 opgenomen bij de toelichting.

Voor dit project geldt hierdoor alleen een kapvergunningplicht voor houtopstanden die een eenheid vormen met een oppervlakte groter dan 50 m² en bomen dikker dan 0,11 meter (omtrek 0,35 meter).

In totaal zijn 107 groenelementen geïnventariseerd. Het betreft in alle gevallen bomen. Voor 106 bomen is, bij geval van kappen, een kapvergunningsaanvraag noodzakelijk. Één geïnventariseerde boom heeft een diameter onder de vergunningseis van 11 cm. Drie van de 107 bomen zijn onvoldoende vitaal en/of stabiel en drie bomen hebben onvoldoende restleeftijd (bij benadering minder dan 25 jaar) om te handhaven of verplanten. De vitaliteit en stabiliteit zijn beoordeeld op basis van visuele kenmerken zoals compensatiehout, zwammen, holten en conditie.

In bijlage 1 staan de inventarisatiegegevens van de groenelementen in een tabel weergegeven. In deze tabel is per element aangegeven of bij verwijdering (of aantasting) een kapvergunning noodzakelijk is en de resultaten over restleeftijd, vitaliteit en stabiliteit.

Het college van de gemeente Amersfoort kan een herplantplicht koppelen aan de vergunningverlening. De vergunning kan door het college ook geweigerd worden op grond van bijvoorbeeld de natuurwaarde, landschappelijke waarde en/of de cultuurhistorische waarde.

4.9 Archeologie

4.9.1 Beleid

Op 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (als onderdeel van de Monumentenwet 1988) in werking getreden. Hiermee zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) in de Nederlandse wetgeving opgenomen.

Archeologische beleidskaart
In lijn met de nieuwe archeologiewetgeving is de Amersfoortse ABP-kaart omgezet in een archeologische beleidskaart waar per gebied wordt aangegeven hoe moet worden omgegaan met de archeologie bij het ontwikkelen en uitvoeren van plannen / bodemverstorende projecten (28 september 2010 vastgesteld door de gemeenteraad).

De nieuwe beleidskaart kent een onderverdeling in gebieden met verschillende kleuren. Per gebied is een beleidsadvies geformuleerd. Zo zijn er gebieden met hoge archeologische waarden en gebieden met een hoge, een middelmatige of een lage archeologische verwachting.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00100-0301_0011.png"

kaart: snede uit archeologische beleidskader, voorliggend plangebied De Ganskuijl ligt in rode kader

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00100-0301_0012.png"

kaart: legenda van archeologische beleidskaart

Bescherming per gebied

Ter voldoening aan artikel 38a van de Monumentenwet nemen we in bestemmingsplannen een regeling ten aanzien van de archeologische monumenten op, voor zover die al niet (anderszins) zijn beschermd via de Monumentenwet.

Regeling in bestemmingsplan

Gezien de daarbij betrokken belangen en de wettelijke plicht om in de bestemmingsplannen nadrukkelijk rekening te houden met archeologie wordt in voorkomende gevallen gekozen voor een dubbelbestemming.

De nummering van de gebieden in de regels van het bestemmingsplan komt niet overeen met de nummering op de archeologische beleidskaart. Hieronder volgt een opsomming van de gebieden met de benaming die ze hebben op de archeologische beleidskaart en in het bestemmingsplan.

Benaming op Archeologische beleidskaart   Benaming in bestemmingsplan  
Archeologisch waardevol gebied 1   Wordt beschermt via Monumentenwet, wordt niet opgenomen op de verbeelding en ook niet in de regels van het bestemmingsplan.  
Archeologisch waardevol gebied 2   Dubbelbestemming "Waarde archeologie - 1"  
Archeologisch waardevol verwachtingsgebied 3   Dubbelbestemming "Waarde archeologie - 2"  
Archeologisch waardevol verwachtingsgebied 4   Dubbelbestemming "Waarde archeologie - 3"  
Archeologisch waardevol verwachtingsgebied 5   Dubbelbestemming "Waarde archeologie - 4"  

Het opnemen van een dubbelbestemming brengt goed tot uitdrukking dat archeologie op zichzelf dient te worden beoordeeld en ten opzichte van de medebestemming van primair belang is.

De dubbelbestemming omvat een eigen stelsel van regels voor bouwen en gebruik, dat functioneert naast (of boven) de regeling die is verbonden aan de onderliggende bestemming.

4.9.2 Archeologie in relatie tot het plangebied

Archeologisch waardevolle gebieden

Binnen het plangebied bevinden zich geen wettelijk beschermde archeologische monumenten of bekende archeologische waarden.


Archeologisch waardevolle verwachtingsgebieden

Het plangebied ligt in een gebied met een middelhoge archeologische verwachting
(Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied). Bij plangebieden groter dan 500 m² , waarbinnen bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv plaatsvinden, is voorafgaand archeologisch onderzoek noodzakelijk.
De archeologische verwachting geldt vooral voor vondsten uit de Midden-Steentijd, de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding

5.1.1 Wat is een bestemmingsplan

Een bestemmingsplan bepaalt hoe de gronden gebruikt mogen worden, of er ergens gebouwd mag worden en wat voor bebouwing dat mag zijn. Het gaat om het toelaten van bepaalde gebruiksmogelijkheden (toelatingsplanologie). De grondgebruiker (zoals eigenaar, huurder) mag de functie die het bestemming geeft uitoefenen. Dit houdt in dat de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een aangewezen bestemming daadwerkelijk te realiseren, maar ook dat de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen die in strijd is met de gegeven bestemming, of in strijd met het bestemmingsplan mag bouwen.

Het is belangrijk om voor de toekomstige en bestaande bebouwing en functies een bestemmingsregeling te ontwerpen die zo veel mogelijk ruimte biedt voor verandering en aanpassing aan veranderende wensen. Het plan dient, met andere woorden, flexibel en doelmatig te zijn, en dient rechtszekerheid te bieden omtrent de ruimte voor verandering. Daar staat tegenover, dat het plan de nodige bescherming moet bieden tegen ontwikkelingen die schadelijk zijn voor anderen. Bescherming tegen een zodanige ontwikkeling wordt samengevat in de term rechtsbescherming.

5.1.2 Waaruit bestaat een bestemmingsplan

Een bestemmingsplan bestaat uit:

  • De verbeelding (voorheen plankaart).
  • De regels (voorheen voorschriften).
  • De toelichting.

De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het bestemmingsplan. Hierin staat hoe een plan tot stand is gekomen, een beschrijving van het gebied en wat de bedoelingen van de gemeente zijn in het plangebied.

5.1.3 Principe-opzet plangebied

In het voorliggende plan heeft een en ander geleid tot de volgende principe-opzet:

Aan de gebruiker van gronden en opstallen worden zo veel mogelijk vrijheden gegeven om zijn eigen beleid te voeren, zonder dat de overheid daarin regels stelt. Deze vrijheden worden zonder beperking als recht in het plan geformuleerd.

Als in bepaalde gevallen een mogelijke beschadiging van de belangen van andere burgers wordt verwacht, geeft het plan als recht iets beperktere mogelijkheden. Voor uitzonderingssituaties biedt het plan in dat geval wel verruimde mogelijkheden; het is in dit soort situaties niet goed mogelijk om vooraf te bepalen onder welke voorwaarden en in welke situaties deze extra mogelijkheid zal kunnen worden toegekend. Daarom zijn ze voorwaardelijk in het plan opgenomen, in de vorm van een “afwijkingsbevoegdheid”. Het kan in uitzonderlijke gevallen wenselijk zijn nadere eisen te stellen om bepaalde, met name genoemde, waarden te beschermen. De procedure is gelijk aan die voor een afwijking.

5.1.4 Procedurebepalingen bij afwijking en wijziging

De Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat in afdeling 3.4 bepalingen over de openbare voorbereidingsprocedure van een groot aantal uiteenlopende besluiten van bestuursorganen. De procedure is van toepassing als dat bij wettelijke regel is bepaald, of als het bestuursorgaan (in casu het gemeentebestuur) dit zelf heeft bepaald.

Uit praktische overwegingen is het zinvol zoveel mogelijk die uniforme openbare voorbereidingsprocedure te volgen in de gevallen dat een procedure, met o.a. publicatie van het ontwerp-besluit en bezwaarmogelijkheden, nodig wordt geacht.

Het voorliggende bestemmingsplan bevat enige afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden die qua “zwaarte” en reikwijdte directe gevolgen kunnen hebben voor andere belanghebbenden dan de aanvrager van de afwijking.

5.2 Dit bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. In de volgende paragraaf wordt nog een nadere uitleg gegeven over de regels in het bestemmingsplan.

5.2.1 Regels

De regels zijn verdeeld over vier hoofdstukken:

  • 1. Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt. Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels.
  • 2. Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Elk artikel kent de volgende opzet: eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw-en/of gebruiksregels.
  • 3. Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het gehele plan. Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelbepaling, algemene gebruiksregels en een bepaling uitsluiting aanvullende werking bouwverordening.
  • 4. Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

Hieronder volgt een uitleg van een aantal bestemmingen die het bestemmingsplan kent. Sommige bestemmingen spreken voor zich en worden daarom niet nader toegelicht.

Naast de bestemmingen kent het bestemmingsplan ook dubbelbestemmingen. Een dubbelbestemming omvat een eigen stelsel van regels voor bouwen en gebruik voor het behoud en de bescherming van de in de dubbelbestemming aangegeven waarden. De dubbelbestemming functioneert naast de regeling die is verbonden aan de onderliggende bestemming.

Behalve bestemmingen en dubbelbestemmingen zijn binnen het bestemmingsplan aanduidingen te onderscheiden. Deze aanduidingen bevatten specificaties van bestemmingen en dubbelbestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Functieaanduidingen en bouwaanduidingen worden opgenomen in het artikel van de bestemming waarin ze voorkomen. Gebiedsaaanduidingen hebben een eigen artikel omdat deze aanduidingen zich meestal over meerdere bestemmingen uitstrekken.

5.2.1.1 Groen

In het plangebied komen groengebieden voor. De gronden waarvan het groene karakter in stand moet worden gehouden hebben de bestemming "Groen" gekregen. De gronden zijn daarmee bestemd voor groenvoorzieningen, parken en plantsoenen, voet- en fietspaden en speelvoorzieningen. Daarnaast is het mogelijk om een verkeersontsluiting, parkeerplaatsen en in- en uitritten te realiseren voor zover noodzakelijk zijn voor (het bereiken van) de (aangrenzende) woningen. Voor de precieze indeling wordt verwezen naar het inrichtingsplan.

5.2.1.2 Gemengd

Het betreft afzonderlijke bestemmingen die verschillende functies toestaan. Hiermee kan de diversiteit in het gebied in stand worden gehouden.
Binnen de bestemming "Gemengd-1" zijn in voorliggend plan maatschappelijke voorzieningen toegestaan in de vorm van:

- educatieve, medische, alsmede openbare dienstverlening;
- administratieve, financiële en zakelijke dienstverlening;
- bedrijven die in de bij deze regels behorende "Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging" zijn aangeduid als categorie A.

5.2.1.3 Tuin

In het deel van het plangebied dat een echt woonkarakter heeft, hebben de voortuinen bij de woningen de bestemming "Tuin" gekregen. Binnen deze bestemming mogen uitsluitend erkers, ingangspartijen en andere bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de aangrenzende bestemming. Daarnaast is een verboden gebruik opgenomen voor parkeren.

5.2.1.4 Verkeer - verblijfsgebied

In het plangebied komt 1 type weg voor de zogenaamde erftoegangswegen zijnde woonerven en woonstraten. Daarnaast kunnen binnen deze bestemming ook o.a. voet- en fietspaden parkeervoorzieningen, in- en uitritten; bermen en groenvoorzieningen en waterpartijen worden gerealiseerd. Ook kunnen binnen deze bestemmingen o.a. nutsvoorzieningen en andere bouwwerken zoals palen, masten en verlichtingselementen worden gerealiseerd.

5.2.1.5 Wonen

In het plangebied komen 4 woonbestemmingen voor, elk aangeduid met een nummer. Deze woonbestemmingen worden voor alle bestemmingsplannen gebruikt zodat een eenduidige bestemmingsregeling ontstaat voor de woningen in Amersfoort.

  • Wonen: deze bestemming is gegeven aan bij woonbestemming behorende tuinen, parkeervoorzieningen, verkeersdoeleinden, groen- en speelvoorzieningen. Binnen deze bestemming zijn er geen bouwmogelijkheden.
  • Wonen-1: deze bestemming is gegeven aan de aaneengesloten woningen. De woningen mogen alleen binnen het bouwvlak worden gebouwd, voor het hoofdgebouw geldt dat het aangegeven bebouwingspercentage in het bouwvlak niet mag worden overschreden en het aantal bouwlagen mag niet meer bedragen dan zoals aangegeven op de verbeelding. Voor nadere invulling wordt verwezen naar de bij deze bestemming behorende regels.
  • Wonen-4: deze bestemming is gegeven aan de gestapelde woningen. Op de verbeelding ligt het bouwvlak bij deze bestemming om het gebouw. Daar binnen is de bebouwing voor gestapelde woningen toegestaan, waarbij voldaan moet worden aan een aantal regels. Voor nadere invulling wordt verwezen naar de bij deze bestemming behorende regels.
  • Wonen-5: deze bestemming is gegeven aan eengezinswoningen in gestapelde vorm met bijbehorende bouwwerken. Wonen met zorg en daartoe benodigde verblijfsruimten zijn hier toegestaan. Voor nadere invulling wordt verwezen naar de bij deze bestemming behorende regels.

In alle woonbestemmingen is een regeling opgenomen voor beroepen en bedrijven aan huis. Deze regeling biedt de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden een beroep of bedrijf aan huis uit te oefenen.

5.2.1.6 Waarde - archeologie (dubbelbestemming)

Het voorliggende plangebied is een gebied met een middelhoge archeologische verwachting binnen de bebouwde kom. In de regels en op de verbeelding is hiervoor de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" opgenomen.

Er mag slechts worden gebouwd indien aanvrager van een omgevingsvergunning een archeologisch onderzoeksrapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarden naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende zijn vastgesteld. Er zijn uitzonderingen op het overleggen van een onderzoeksrapport en er kunnen voorwaarden aan de vergunning worden verbonden.

Daarnaast is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, over een oppervlakte van meer dan 500 m². Ook hierop zijn uitzonderingen mogelijk en kunnen voorwaarden aan de vergunning worden verbonden.

5.2.1.7 Waarde - cultuurhistorie (dubbelbestemming)

Voor de nieuwbouw geldt dat deze zich moet voegen in de huidige stedenbouwkundige structuur van het gebied. Dit vraagt om een specifieke woningtypologie, die verbinding weet te maken tussen heden en verleden en ervoor zorgt dat de architectonische en stedenbouwkundige samenhang in het gebied blijft bestaan. De complexiteit van deze opgave zit hem vooral in de wijze waarop appartementenblokken kunnen worden vervangen door eengezinswoningen, zonder dat daarbij de bijzondere stedenbouwkundige opzet verloren gaat. De dubbelbestemming is opgenomen voor het behoud van deze cultuurhistorische- en ruimtelijke zichtlijn van 'De Ganskuijl e.o.". Deze waarden zijn vooral gelegen in de cultuurhistorische zichtlijn van het gebied, zoals die staan beschreven in het 'Stedenbouwkundig plan op hoofdlijnen en beeldkwaliteitsplan', die als bijlage 1 is toegevoegd aan de toelichting.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Inleiding

Bij de beschrijving van de uitvoerbaarheid van het plan gaat het zowel over het overleg dat bij de voorbereiding van het plan gevoerd is, als om de economische uitvoerbaarheid. Bij de uitvoerbaarheid speelt ook de handhaving een belangrijke rol.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

6.2.1 Exploitatieplan of overeenkomst

Gemeenten zijn op grond van de Wro verplicht om de kosten van de grondexploitatie te verhalen. Ingeval de gemeente de uitgeefbare gronden in eigendom heeft, vindt verhaal van de kosten van de grondexploitatie plaats door verkoop van bouwrijpe grond. Ingeval de gemeente niet over de gronden beschikt, kan de gemeente een overeenkomst over grondexploitatie aangaan waarbij de grondeigenaar zich verbindt de kosten van grondexploitatie aan de gemeente te voldoen. Indien het niet mogelijk is het kostenverhaal bij overeenkomst te verzekeren dient er, gelijktijdig met het bestemmingsplan, een exploitatieplan vastgesteld te worden. In dat laatste geval worden de kosten van de grondexploitatie verhaald door een financiële voorwaarde aan de bouwvergunning te verbinden. Kostenverhaal met behulp van een exploitatieplan wordt het verplichte kostenverhaal genoemd, in tegenstelling tot het vrijwillige kostenverhaal bij overeenkomst. Overeenkomsten die tot stand komen voorafgaand aan de vaststelling van een exploitatieplan worden anterieure overeenkomsten genoemd. Ook na vaststelling van een exploitatieplan is het mogelijk een overeenkomst over grondexploitatie aan te gaan. Laatstbedoelde overeenkomsten worden posterieure overeenkomsten genoemd.

6.2.2 Conclusie

Met de ontwikkelaar is een overeenkomst gesloten. Deze overeenkomst kan worden aangemerkt als een anterieure overeenkomst. Op grond van deze overeenkomst komt de ontwikkeling en realisatie van het project in beginsel voor rekening en risico van de ontwikkelaar. De door de gemeente gemaakte en te maken plan- en apparaatskosten evenals de mogelijk uit te keren tegemoetkomingen in schade (planschade) worden door de ontwikkelaar aan de gemeente vergoed.

Het bestemmingsplan is vanuit gemeentelijk perspectief financieel en economisch uitvoerbaar.

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.3.1 Inleiding

De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot de vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.

6.3.2 Inspraak

De Wet ruimtelijke ordening zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen b.v. op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Inspraak zal plaatsvinden volgens de in de "Rol van de Raad" opgenomen gevallen. In deze notitie wordt een driedeling gemaakt in soorten bestemmingsplannen; model 1, 2 en 3 plannen. Model 1 volgt in feite de wettelijk voorgeschreven behandeling met een zo kort mogelijke procedure, model 2 voegt hieraan een extra moment van kaderstelling door de raad toe en model 3 voorziet in de meest uitgebreide behandeling.

Het bestemmingsplan De Ganskuijl e.o. kan de procedure doorlopen van model 2 omdat het gaat om een bestemmingsplan met urgente en belangrijke ontwikkelingen die niet passen binnen het geldende planologische regime. De wijzigingen hebben bovendien een beperkt karakter ten opzichte van het vigerend bestemmingsplan. Vier portieketageflats aan de Den Wijnbergh worden gerenoveerd en zes portieketageflats aan de Gasthuislaan worden gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Deze wijzigingen passen niet in het geldende bestemmingsplan omdat de bouwblokken van de nieuw te realiseren eengezinswoningen, de ontsluiting daarvan en de benodigde parkeerplaatsen anders worden gesitueerd. Daarnaast zal de bouwhoogte van de nieuwe eengezinswoningen ook lager zijn dan de huidige te slopen portiekflats.  

Dit betekent dat er geen inspraak wordt gehouden over het concept-ontwerpbestemmingsplan. Wanneer de procedure behorende bij model 2 wordt gevolgd, betekent dit dat er (na het vooroverleg met instanties, zie paragraaf 7.3.3.) direct een ontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd.

Er wordt wel een inloopavond georganiseerd waarvoor naar alle adressen in het plangebied een uitnodiging wordt gestuurd. Tijdens deze avond bestaat de gelegenheid om het conceptontwerpbestemmingsplan te bekijken en vragen te stellen aan ambtenaren van de gemeente.

6.3.3 Wettelijk (voor)overleg

Het Besluit ruimtelijke ordening geeft in artikel 3.1.1 aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Op 11 december 2014 hebben de volgende instanties het conceptontwerpbestemmingsplan ontvangen met het verzoek om in het kader van artikel 3.1.1 Wro te reageren op het plan:

* Provincie Utrecht

* Waterschap Vallei en Eem

* de SGLA

* de Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht (RUD)

6.3.4 Reacties uit het vooroverleg

Naar aanleiding van het verzoek om te reageren op het concept-ontwerpbestemmingsplan in het kader van het vooroverleg, zijn er 2 reacties ontvangen:

  • RUD Utrecht:

Vanuit de RUD zijn er geen inhoudelijke opmerkingen op het concept-ontwerpbestemmingsplan De Ganskuijl e.o. Wel wordt opgemerkt dat:
- De figuur op pg. 28 “worst case scenario” grondwaterstand is niet leesbaar; wellicht in de 'papieren' versie wel.
- In par. 4.1.1. wordt op pag. 23 gesproken over het Provinciaal Milieubeleidsplan 2009-2011. Dit plan geldt niet meer. Er wordt momenteel gewerkt aan een tijdelijke 'opvolger' van dit plan totdat de Omgevingswet er is. Deze opvolger is het Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021. Het ontwerp Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021 ligt van vrijdag 9 januari tot en met donderdag 19 februari 2015 ter inzage.

Reactie gemeente:

De 1e reactie wordt voor kennisgeving aangenomen en de 2e reactie wordt verwerkt in de toelichting, de tekst wordt aangepast.

  • Waterschap Vallei en Eem:

Het plan geeft aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen:
De bescherming van de (grond)waterkwaliteit door een preventieve aanpak van uitlogende bouwmaterialen is voldoende benoemd. De rioleringssituatie wordt aangepast. Er vind geen uitbreiding plaats van verhard oppervlak, zodat er geen extra waterberging hoeft te worden gerealiseerd.De positie van water is voldoende vastgelegd in de bestemmingsregels.

Reactie gemeente:

De reactie wordt voor kennisgeving aangenomen.

  • Provincie Utrecht:

Het plan geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen in het kader van het provinciaal belang zoals dat is opgenomen in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 en de Provinciale Ruimtelijke Verordening, provincie Utrecht 2013.

Reactie gemeente:

De reactie wordt voor kennisgeving aangenomen.

6.3.5 Vaststelling bestemmingsplan

Het ontwerpbestemmingsplan heeft van donderdag 12 maart tot en met woensdag 22 april 2015 ter inzage gelegen. Er zijn zeven zienswijzen ingediend.
De meeste zienswijzen richten zich tegen het nieuw te realiseren appartementenblokje (stijl, hoogte en ligging), het parkeren (aantal en locatie), de nieuwe ontsluitingsweg, opslag van het huisvuil en de locatie van speelplekken. De zienswijzen geven aanleiding om het nieuw te realiseren appartementenblok iets te verschuiven. Voor een uitgebreide samenvatting en de beoordeling van de zienswijzen wordt verwezen naar de 'Zienswijzennota bestemmingsplan De Ganskuijl e.o.' (doc.nr. # 4965299).

Het bestemmingsplan is samen met de zienswijzennota ter vaststelling voorgelegd aan de gemeenteraad. Op .... september 2015 heeft de gemeenteraad van Amersfoort bij besluitnummer 4997232 het bestemmingsplan “De Ganskuijl” gewijzigd vastgesteld.

6.4 Handhaving

Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de (gemeentelijke) overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor de daadwerkelijke controle en handhaving ligt op basis van artikel 7.1 van de Wet ruimtelijke ordening bij de gemeente. Daarnaast zijn ook de VROM-Inspectie en de provincie bevoegd tot opsporing van feiten die in het bestemmingsplan strafbaar zijn gesteld. Daarnaast kunnen ook derden belanghebbenden vorderen dat de bepalingen van het bestemmingsplan worden nageleefd.

Belangrijk aspect van handhaving is daarnaast dat het draagvlak heeft. Het gaat hierbij om bestuurlijk draagvlak, ambtelijk draagvlak en maatschappelijk draagvlak. Een lastig onderwerp als handhaving heeft grote kans om aan de aandacht te ontsnappen of terzijde te worden gelegd als het geen draagvlak heeft. Steun, of in ieder geval begrip, van alle bij de handhaving betrokkenen, is dan ook zeer gewenst. Het bestuurlijke en ambtelijke draagvlak kan worden verkregen door tijdens het opstellen van het handhavingsbeleid regelmatig met elkaar om tafel te zitten, door de ins en outs van handhaving te bespreken, door de behaalde resultaten door te spreken en door toetsbare afspraken met elkaar te maken. Daarnaast is ook de "maatschappij" bij de handhaving betrokken via bijvoorbeeld de wijkbeheerteams en de gemeentelijke wijkmanagers.

Handhaving kan nadrukkelijk plaatsvinden via publiekrechtelijke maar tevens via privaatrechtelijke en strafrechtelijke weg. Dit laatste is afhankelijk van het Openbaar Ministerie. In het ruimtelijk bestuursrecht is de gemeente op grond van de Gemeentewet bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang en het opleggen van een dwangsom ten aanzien van ontwikkelingen die strijdig zijn met de belangen van het bestemmingsplan. Deze vormen van handhaving vallen onder de zogenoemde repressieve handhaving. Hiermee wordt gedoeld op de middelen en/of het instrumentarium waarmee de gemeente naleving kan afdwingen, dan wel tegen normafwijkend gedrag correctief kan optreden. De wijze van toepassing van deze bevoegdheden is geregeld in afdeling 5.3. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Daarnaast wordt de preventieve handhaving onderscheiden. Deze komt voornamelijk tot uitdrukking in het toezicht op het gebruik van gronden en gebouwen. Preventieve handhaving geschiedt over het algemeen door informele middelen, waaronder bijvoorbeeld informeel contact tussen de met handhaving belaste personen en de grondgebruikers. Aan preventieve handhaving wordt bovendien bijgedragen door duidelijke, consistente en handhaafbare bestemmingsregelingen en het geven van goede voorlichting, een en ander in nauw overleg met de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving (Stadsberichten, folders, gemeentelijke website).

In het plan zijn instrumenten van toezicht opgenomen. Genoemd kunnen worden de afwijkingsbevoegdheden, wijzigingsbevoegdheden en de bevoegdheid om nadere eisen te stellen. Deze instrumenten maken een toetsing mogelijk voordat met de beoogde activiteit (bouwen, gebruiken, het verrichten van werken en/of werkzaamheden) een aanvang wordt gemaakt. De te nemen besluiten op basis van de genoemde bevoegdheden dienen te berusten op een deugdelijke motivering.