Regels

# 35425230


Inhoudsopgave

 

HOOFDSTUK 1.       INLEIDENDE REGELS. 3

Artikel 1        Begrippen. 3

Artikel 2        Wijze van meten. 10

 

HOOFDSTUK 2.       BESTEMMINGSREGELS. 11

Artikel 3        Gemengd 1. 11

Artikel 4        Gemengd 2. 16

Artikel 5        Groen. 20

Artikel 6        Verkeer - Verblijf 22

Artikel 7        Water 23

Artikel 8        Wonen. 24

Artikel 9        Waarde – Archeologie (dubbelbestemming) 28

Artikel 10      Waterstaat – Waterkering (dubbelbestemming) 31

 

HOOFDSTUK 3.       ALGEMENE REGELS. 33

Artikel 11      Anti-dubbeltelbepaling. 33

Artikel 12      Algemene bouwregels. 34

Artikel 13      Algemene ontheffingsregels. 35

Artikel 14      Algemene procedureregels. 36

 

HOOFDSTUK 4.       OVERGANGS- EN SLOTREGELS. 37

Artikel 15      Overgangsrecht 37

Artikel 16      Slotregel 38

 

BIJLAGE 1. STAAT VAN BEDRIJFSACTIVITEITEN - FUNCTIEMENGING.. 39

 


HOOFDSTUK 1.   INLEIDENDE REGELS

 

Artikel 1       Begrippen

 

 

1.                  plan:

het bestemmingsplan Vathorst, De Laak 2A van de gemeente Amersfoort;

 

2.                  bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met bijbehorende regels als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0307.bpvathorstlaak2a -0201;

 

3.                  aanbouw:

een uit architectonisch oogpunt herkenbare afzonderlijke en duidelijk ondergeschikte aanvulling op het hoofdgebouw;

 

4.                  aanduidingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels,  regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

 

5.                  aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

 

6.                  achtergevel:

de gevel van een gebouw, die is gesitueerd tegenover de gevellijn van het betreffende gebouw;

 

7.                  ander bouwwerk:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde;

 

8.                  ander gebouw:

een aanbouw of een bijgebouw;

 

9.                  archeologisch belangrijke plaats:

gebied waarin belangrijke archeologische vindplaatsen worden verwacht;

 

10.               archeologisch onderzoek:

onderzoek verricht door de gemeente of namens de gemeente door een dienst, bedrijf of instelling, beschikkend over een opgravingsvergunning ex artikel 39 van de Monumentenwet 1988 en werkend volgens de kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie;

 

11.               archeologische deskundige:

de gemeentelijke archeoloog of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van archeologie;

 

12.               bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

 

13.               bebouwingspercentage:

een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het bebouwingsoppervlak geeft;

 

14.               bedrijfsvloeroppervlakte/brutovloeroppervlakte:

de totale vloeroppervlakte van een kantoor, winkel of bedrijf met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten;

 

15.               beroeps- of bedrijfsactiviteiten aan huis:

het verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied,  of het uitoefenen van een kleinschalig bedrijf aan huis.

Horeca, seksinrichtingen en detailhandel worden hier niet onder verstaan,  behoudens detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit van de ter plaatse uitgeoefende bedrijfsactiviteit en behoudens internetwinkels;

 

16.               bestaand bouwwerk:

een bouwwerk, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning;

 

17.               bestaand gebruik:

gebruik van grond en bouwwerken dat aanwezig is op het moment van inwerkingtreding  van het plan;

 

18.               bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak;

 

19.               bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

 

20.               bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een standplaats;

 

21.               bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

 

22.               bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitzondering van onderbouw en ruimten in de kap;

 

23.               bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

 

24.               bouwperceelgrens:

de  grens van een bouwperceel;


 

25.               bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

 

26.               bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

 

 

27.               bijgebouw:

een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het op hetzelfde erf gelegen hoofdgebouw;

 

28.               bijzondere woonvoorzieningen:

vorm van wonen die voorziet in de aangepaste woonbehoefte van personen of groepen van personen,  voor wie reguliere woonvoorzieningen niet passend of toereikend zijn;

 

29.               café:

een horecabedrijf, niet zijnde een discotheek of bar/dancing, uitsluitend of overwegend gericht op het verstrekken van dranken voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van kleine etenswaren, al dan niet ter plaatse bereid;

 

30.               cafetaria/snackbar/afhaalservice:

een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van voor consumptie ter plaatse bereide kleine etenswaren, met als nevenactiviteit het verstrekken van zwakalcoholische en niet-alcoholische dranken.

 

31.               cultuurhistorische waarde:

de waarde, gevormd door de duidelijke herkenbaarheid van de historische ontwikkeling van bebouwing, nederzetting en/of landschap, in de structuur, de ruimte en de ruimtevormende elementen daarvan;    

 

32.               detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen voor gebruik, verbruik of aanwending overwegend anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

 

33.               dienstverlening:

het beroepsmatig verlenen van diensten, met uitzondering van prostitutie, waarbij een onderscheid kan worden gemaakt in:

-          administratieve, financiële en zakelijke dienstverlening en dergelijke;

-          het verrichten van administratieve en daarmede gelijk te stellen werkzaamheden, al dan niet met daaraan ondergeschikte baliewerkzaamheden;


 

34.               erf:

het al dan niet bebouwde perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw;

 

35.               erotisch getinte horeca:

een horecabedrijf dat tot doel heeft het daarbinnen doen plaatsvinden van voorstellingen en/of vertoningen van porno-erotische aard, waaronder begrepen een seksbioscoop, een seksclub en een seksautomatenhal en tevens het bedrijfsmatig ten behoeve van verbruik ter plaatse verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken;

 

36.               gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

 

37.               hoofdgebouw:

gebouw, dat op een erf door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw op een bouwperceel valt aan te merken;

 

38.               horeca-A:

dienstverlening door middel van de exploitatie van restaurants, snackbars, ijssalons en andere daarmee gelijk te stellen bedrijven waar het gebruik van (alcoholhoudende) drank ondergeschikt is aan het nuttigen van etenswaren;

 

39.               horeca-B:

dienstverlening door middel van de exploitatie van cafés, dancings, bowling-centra en andere daarmee gelijk te stellen bedrijven waar het gebruik van etenswaren ondergeschikt is aan het gebruik van alcoholhoudende drank;

 

40.               horeca-C:

dienstverlening door middel van de exploitatie van sportkantines, buurt-huizen, hotels etc, welke exploitatie niet meer dan 30% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw bedraagt en ten dienste staat van de hoofdfunctie, welke op het perceel dan wel in het gebouw wordt uitgeoefend;

 

41.               hotel:

een bedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies (per nacht) met als nevenactiviteit het verstrekken van maaltijden en/of het verstrekken van alcoholische of niet-alcoholische dranken voor consumptie ter plaatse;

 

42.               huishouden:

een vorm van wonen, zowel in de traditionele vorm van gezin als in de minder traditionele vorm, mits sprake is van nagenoeg zelfstandige bewoning met een zekere mate van onderlinge verbondenheid tussen de bewoners en continuïteit in de samenstelling;


 

43.               internetwinkel:

een specifieke vorm van detailhandel, waarbij de transactie via internet tot stand komt, ter plaatse alleen de bijbehorende opslag en distributie plaatsvindt en afhalen, tonen en afrekenen van goederen niet ter plaatse gebeurt;

 

44.               kantoor:

voorzieningen gericht op het verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch of een daarmee gelijk te stellen gebied, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen;

 

45.               kelder:

het doorlopende gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of vrijwel gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen wordt begrensd en dat geheel onder het (straat)peil is gelegen;

 

46.               kunstwerk:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, ten behoeve van wegen en waterlopen, zoals een brug, duiker of viaduct, alsmede beeldende kunst;

 

47.               maatschappelijke voorzieningen:

educatieve, medische, sociale, culturele, levensbeschouwelijke, religieuze, en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening en opvangvoorzieningen;

 

48.               mantelzorg:

het bieden van hulp die aanvullend, niet beroepshalve aan bejaarden, zieken en andere hulpbehoevenden verleend wordt in een woning,  waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en met een ruimtelijke uitwerking of uitstraling die met de woonfunctie in overeenstemming is;

 

49.               nevenactiviteit:

een activiteit die maximaal 40% van de oppervlakte van het hoofdgebouw beslaat; 

 

50.               nutsvoorzieningen:

voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling, telefooncellen en apparatuur voor telecommunicatie;

 

51.               onderkomen:

een voor verblijf geschikt, al dan niet aan zijn bestemming onttrokken, vaar- of voertuig, ark of caravan, voor zover dat/die niet als een bouwwerk is aan te merken, alsook een tent;

 

52.               opvangvoorzieningen:

opvang, vooral van kinderen,  in speciaal daarvoor ingestelde verblijven;


 

53.               overbouwing:

een deel van een gebouw, gelegen boven het peil, vrij van het aansluitende afgewerkte terrein, dat ter weerszijden wordt ondersteund door hetzelfde gebouw;        

 

54.               overkapping:

een ander bouwwerk  voorzien van een gesloten dak;

 

55.               parkeereis:

het aantal parkeerplaatsen dat op basis van de in Amersfoort geldende parkeernormen nodig is voor een ruimtelijke ontwikkeling;

 

56.               peil:

-          voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;

-          voor de overige gebouwen: de hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

-          voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat direct aan de weg grenst: de kruin van de weg;

-          voor de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein bij voltooiing van de bouw;

-          indien in of op het water wordt gebouwd: de hoogte van het terrein ter plaatse van het meest nabijgelegen punt waar het water grenst aan het vaste land;

 

57.               prostitutie:

het aanbieden van seksuele diensten tegen een materiële vergoeding;

 

58.               prostitutiebedrijf:

een bedrijf waar prostitutie het hoofdbestanddeel van de activiteiten vormt, een erotische massagesalon mede begrepen;

 

59.               publieksgerichte beroeps- en bedrijfsactiviteiten aan huis:

beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten aan huis bestaande uit hoofdzakelijk baliewerkzaamheden of andere diensten die publiek aantrekken, zoals stomerijen, wasserettes, kappers, pedicures, makelaars, reis- en uitzendbureaus, kinderopvang, ateliers en dergelijke; in tegenstelling tot niet-publieksgerichte beroep- en bedrijfsactiviteit aan huis;

 

60.               recreatieve voorzieningen:

overdekte en onoverdekte recreatieve accommodaties;

 

61.               seksinrichting:

een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht; onder een seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een parenclub of prostitutie¬bedrijf, al dan niet in combinatie met elkaar;

 

62.               souterrain:

het doorlopende gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of vrijwel gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen wordt begrensd en dat maximaal 1,2 meter boven het (straat)peil is gelegen;

 

63.               verbeelding:

de geometrisch bepaalde planobjecten (voorheen plankaart genoemd);

 

64.               verkoopvloeroppervlak:

de voor het publiek zichtbare en toegankelijke (besloten) winkelruimte ten behoeve van de detailhandel;

 

65.               voorgevel:

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan kennelijk als zodanig aangemerkt diende te worden;

 

66.               voorgevelrooilijn:

denkbeeldige dan wel op de plankaart aangegeven grens van het bouwvlak die gericht is naar de weg en waarop de bebouwing is georiënteerd, die loopt  tot aan de perceelsgrenzen;

 

67.               woning:

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijke huishouding;

 


 

Artikel 2       Wijze van meten

 

Bij de toepassing van deze voorschriften wordt als volgt gemeten:

 

1.       afstand tot de perceelgrens:

de kortste afstand van enig punt van een bouwwerk tot een bepaalde grens van het erf;

 

2.       de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

 

3.       de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

 

4.       de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

 

5.       de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

 

6.       de lengte, breedte en de diepte van een bouwwerk:

tussen de lijnen, getrokken door de buitenzijde van de gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren;

 

7.       oppervlakte van aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen:

bij de berekening van de gezamenlijke oppervlakte van aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden niet meegerekend (gedeelten van) aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelegen binnen het bouwvlak, met dien verstande dat erkers, etc. voor de voorgevel niet meetellen bij de berekening van de oppervlakte;

 

8.       de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

 

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, stoeptreden, dorpels, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, antennes, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons, dakgoten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits:

a.       de overschrijding van scheidingslijnen, aanduidingsgrenzen, bouwgrenzen dan wel bestemmingsgrenzen niet meer dan 1,30 meter bedraagt;

b.      een erker aan een naar de weg toegekeerde gevel van een woonhuis niet breder is dan 3/5 deel van de betreffende gevel.

 


 

HOOFDSTUK 2.   BESTEMMINGSREGELS

 

Artikel 3       Gemengd 1

 

3.1          Bestemmingsomschrijving

                De voor “Gemengd 1” aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.       maatschappelijke voorzieningen, met uitzondering van opvang;

b.      vrijstaande, twee-onder-één-kap en aaneengesloten woningen met bijbehorende tuinen en aan- en uitbouwen en/of bijgebouwen en bijzondere woonvormen;

c.       culturele voorzieningen;

d.      dienstverlening;

e.      horeca-A ;

f.        kleinschalige bedrijven en werkplaatsen die in de van de regels deel uitmakende bijlage Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging zijn aangeduid als categorie A, dan wel daarmee gelijk kunnen worden gesteld voor wat betreft de gevolgen voor de omgeving;

g.        behoud en bescherming van de cultuurhistorische waarden van gebouwen ter plaatse van de aanduiding “cultuurhistorische waarden”;

h.      verkeersvoorzieningen in de vorm van wegen, voet- en fietspaden, in- en uitritten en parkeerplaatsen, met uitzondering van verkooppunten voor motorbrandstoffen;

i.        speel- en groenvoorzieningen, water en waterpartijen;

j.        bij een en ander behorende voorzieningen, zoals tuinen en parkeer-, nuts- en groenvoorzieningen, met dien verstande dat voorzien dient te worden in voldoende parkeergelegenheid conform de gemeentelijke parkeernormen zoals vastgelegd in de gemeentelijke Parkeernota d.d. 27 januari 2009 en de vastgestelde afwijkende parkeernormen d.d. 8 december 2009;

k.       beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis, met dien verstande dat:

1.      het beroep of bedrijf door de bewoner van de woning wordt uitgeoefend welke bewoner maximaal 2 medewerkers mag hebben;

2.    het gebruik van de woning en de daarbij behorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen voor beroep of bedrijf niet mag leiden tot een (onevenredige) afbreuk of aantasting van:

•    het woonkarakter van de woning;

•    de ruimtelijke uitwerking of uitstraling van de (primaire) woonfunctie;

•    de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bebouwing;

•    het woongenot en de woonsituatie van de aangrenzende gronden en bebouwing;

•    het woonkarakter en woonmilieu van de straat, buurt of wijk.

3.    er geen sprake is van publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteiten aan huis;

4.    maximaal 35% van de bebouwde oppervlakte van de woning en de daarbij behorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag worden benut voor het beroep of bedrijf, met een maximum van 75 m²;

5.    het gebruik geen nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer en geen nadelige invloed heeft op de parkeerbehoefte in de openbare ruimte;

6.    er geen beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten in de openbare ruimte rond de woning mogen plaatsvinden, met uitzondering van in- en uitladen;

7.    het geen milieuvergunningsplichtige of meldingsplichtige bedrijven in het kader van de Wet milieubeheer betreft, zoals deze luidt op het tijdstip van het verkrijgen van rechtskracht  van dit plan, met dien verstande dat in ieder geval zijn toegestaan de activiteiten die in de van deze regels deel uitmakende bijlage Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging zijn aangemerkt als categorie A, dan wel daarmee gelijk kunnen worden gesteld voor wat betreft hun ruimtelijke uitwerking voor de omgeving;

8.   geen buitenopslag plaatsvindt;

9.   reclame-uitingen maximaal 0,15 m² zijn en plat tegen de gevel worden gemonteerd of vrijstaand op een maximale hoogte van 1 meter op eigen terrein.

 

3.2          Bouwregels

                Op en in deze gronden zijn uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, die ten dienste staan van de bestemming.

 

3.2.1      Gebouwen – algemeen

                Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

a.       gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;

b.      binnen de gezamenlijke gronden met deze bestemming mag het totale aantal woningen niet meer dan 40 bedragen;

c.       binnen de gronden met deze bestemming mogen uitsluitend grondgebonden woningen worden gebouwd;

d.      de afstand van een achtergevel van een hoofdgebouw tot de achtergevel van een achterliggende woning bedraagt tenminste 15 m;

e.      de afstand tussen de voorgevels van de woningen onderling, dan wel voorgevels en achtergevels van woningen onderling, mag niet minder dan 10 m bedragen, tenzij de bestaande afstand reeds minder bedraagt;

f.        het bepaalde onder d en e is niet van toepassing bij hoekoplossingen, patiowoningen en clusterwoningen;

g.       de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan aangegeven op de verbeelding;

h.      het bebouwde oppervlak van de bouwpercelen niet bestemd voor woondoeleinden mag niet meer bedragen dan 75%;

i.        de voor-, achter- en zijgevels zoals deze bij realisatie van de hoofdgebouwen ontstaan, worden, onverminderd het bepaalde onder j, aangemerkt als bebouwingsgrens waarbinnen de hoofdgebouwen dienen te worden gebouwd, met dien verstande dat de bouwdiepte in ieder geval mag bedragen:

1.      voor aaneengesloten woningen:            9 meter,

2.      voor halfvrijstaande woningen:                              10 meter,

3.      voor vrijstaande woningen:                      12 meter.

j.        de goothoogte en de hoogte zoals deze bij realisatie van de hoofdgebouwen ontstaan, worden aangemerkt als maximale goothoogte en hoogte waarbinnen de hoofdgebouwen dienen te worden gebouwd;

k.       voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij woningen gelden de volgende bepalingen:

1.      de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen uitsluitend worden gebouwd op een afstand van niet minder dan 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw;

2.      de goot- en/of boeiboordhoogte mag niet meer bedragen dan de hoogte van de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw waartoe deze bebouwing behoort, vermeerderd met 0,25 m;

3.      de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen plat worden afgedekt of met een dakhelling kleiner dan 450; indien de dakhelling van het hoofdgebouw groter is dan 450 mogen de aan- en uitbouwen en bijgebouwen een dakhelling overeenkomstig het hoofdgebouw hebben;

4.      de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag bij elke woning niet meer bedragen dan 15% van het bij de woning behorende kadastrale perceel, met een maximum van 75 m².

l.        voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen gelden de volgende bepalingen:

1.      de oppervlakte van de gebouwen bedraagt ten hoogste 50 m²;

2.      de hoogte van de gebouwen bedraagt ten hoogste 5 m.

 

3.2.2         Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

a.      op en in de gronden mogen uitsluitend worden gebouwd bij de bestemming behorende andere bouwwerken , zoals palen, masten, verkeers-, reclame- en andere tekens en terreinafscheidingen.

b.      de bouwhoogte van andere bouwwerken mag niet meer bedragen dan daarbij hierna is aangegeven:

 

bouwwerken   

max. bouwhoogte

pergola’s

palen, masten en reclame- en andere tekens

3 m

9 m

verlichtingsmasten

9 m

overkappingen

3 m

erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevel

1 m

overige erf- en terreinafscheidingen en overige andere bouwwerken

speelvoorzieningen                                                                                            

2 m

 

5 m

 

3.3          Ontheffing van de bouwregels

 

3.3.1      Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 2.1 sub h en toestaan dat het genoemde bebouwingspercentage wordt overschreden, onder voorwaarde dat het verlenen van de ontheffing geen onevenredige afbreuk doet aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en/of bouwwerken;

 

3.3.2      Parkeernormen

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing  verlenen van het bepaalde in 3.1 sub i voor het wijzigen van de parkeernormen  in verband met en overeenkomstig een nieuwe door de gemeenteraad vast te stellen parkeernota, dan wel een wijziging van de parkeernormen.

               

3.4        Specifieke gebruiksregels

 

3.4.1         Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in lid 1 van artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend:

a.       het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting dan wel prostitutiebedrijf;

b.      het gebruik van vrijstaande bijgebouwen als woonruimte;

c.       het gebruik van onbebouwde gronden als stand- of ligplaats van onderkomens, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden;

d.      het gebruik van onbebouwde gronden als opslag-, stort- of bergplaats van machines, voer- en vaartuigen en andere al dan niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden;

e.      het gebruik van onbebouwde gronden als plaats voor sloop-, reparatie- of andere werkzaamheden aan auto’s, anders dan incidentele, reguliere onderhoudswerkzaamheden op beperkte schaal.


 

3.5          Ontheffing van de gebruiksregels

 

3.5.1      Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 1 sub a van dit artikel om opvang toe te staan.

 

3.5.2      Ontheffing als bedoeld in lid 5.1 van dit artikel kan met name worden verleend, mits:

a.            geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en/of bouwwerken

b.            in voldoende parkeergelegenheid voorzien wordt conform de gemeentelijke parkeernormen zoals vastgelegd in de gemeentelijke Parkeernota d.d. 27 januari 2009;

c.            aan de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen voor geluid wordt voldaan.

 

3.6          Aanlegvergunning cultuurhistorische waarden

 

3.6.1.     Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van burgemeester en wethouders gebouwen ter plaatse van de aanduiding “cultuurhistorische waarden” geheel of gedeeltelijk te slopen en/of geheel of gedeeltelijk de voorgevel of dakconstructie  te wijzigen. Dit verbod heeft geen betrekking op werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud dan wel werken en werkzaamheden waarmee is of mag worden begonnen ten tijde van het onherroepelijk worden van het plan.

 

3.6.2.     Burgemeester en wethouders verlenen uitsluitend vergunning als bedoeld onder 6.1 indien het belang van cultuurhistorie hierdoor niet nadelig wordt beïnvloed.

 

3.6.3.     Alvorens zij beslissen over een vergunning als bedoeld onder a. vragen burgemeester en wethouders een schriftelijk advies aan de gemeentelijke monumentencommissie.



Artikel 4       Gemengd 2

 

4.1          Bestemmingsomschrijving

                De voor “Gemengd 2” aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.         wonen;

b.         beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis, met dien verstande dat;

1.       het beroep of bedrijf door de bewoner van de woning wordt uitgeoefend welke bewoner maximaal 2 medewerkers mag hebben;

2.    het gebruik van de woning en de daarbij behorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen voor beroep of bedrijf niet mag leiden tot een (onevenredige) afbreuk of aantasting van:

·      het woonkarakter van de woning;

·      de ruimtelijke uitwerking of uitstraling van de (primaire) woonfunctie;

·                      de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bebouwing;

·                      het woongenot en de woonsituatie van de aangrenzende gronden en bebouwing;

·                      het woonkarakter en woonmilieu van de straat, buurt of wijk.

3.    er geen sprake is van publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteiten aan huis;

4.    maximaal 35% van de bebouwde oppervlakte van de woning en de daarbij behorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag worden benut voor het beroep of bedrijf, met een maximum van 75 m²;

5.    het gebruik geen nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer en geen nadelige invloed heeft op de parkeerbehoefte in de openbare ruimte;

6.    er geen beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten in de openbare ruimte rond de woning mogen plaatsvinden, met uitzondering van in- en uitladen;

7.    het geen milieuvergunningsplichtige of meldingsplichtige bedrijven in het kader van de Wet milieubeheer betreft, zoals deze luidt op het tijdstip van het verkrijgen van rechtskracht  van dit plan, met dien verstande dat in ieder geval zijn toegestaan de activiteiten die in de van deze regels deel uitmakende bijlage Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging zijn aangemerkt als categorie A, dan wel daarmee gelijk kunnen worden gesteld voor wat betreft hun ruimtelijke uitwerking voor de omgeving;

8.      geen buitenopslag plaatsvindt;

9.      reclame-uitingen maximaal 0,15 m² zijn en plat tegen de gevel worden gemonteerd of vrijstaand op een maximale hoogte van 1 meter op eigen terrein.

                uitsluitend op de begane grond en daaronder gelegen bouwlagen is tevens toegestaan:

c.          maatschappelijke voorzieningen, met uitzondering van opvang, met een maximum van 100m²;

d.         kleinschalige bedrijven en werkplaatsen die in de van de regels deel uitmakende bijlage Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging zijn aangeduid als categorie A, dan wel daarmee gelijk kunnen worden gesteld voor wat betreft de gevolgen voor de omgeving, met een maximum van 100m²;

e.         verkeersvoorzieningen in de vorm van wegen, voet- en fietspaden, in- en uitritten en parkeerplaatsen, met uitzondering van verkooppunten voor motorbrandstoffen;

f.          speel- en groenvoorzieningen, water en waterpartijen;

g.         bij een en ander behorende voorzieningen, zoals tuinen en parkeer-, nuts- en groenvoorzieningen, met dien verstande dat voorzien dient te worden in voldoende parkeergelegenheid conform de gemeentelijke parkeernormen zoals vastgelegd in de gemeentelijke Parkeernota d.d. 27 januari 2009 en de vastgestelde afwijkende parkeernormen d.d. 8 december 2009.


 

4.2          Bouwregels

                Op en in deze gronden zijn uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, die ten dienste staan van de bestemming.

 

4.2.1      Gebouwen – algemeen

                Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

a.         gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;

b.         de afstand van een achtergevel van een hoofdgebouw tot de achtergevel van een achterliggende woning bedraagt tenminste 15 m;

c.          de afstand tussen de voorgevels van de woningen onderling, dan wel voorgevels en achtergevels van woningen onderling, mag niet minder dan 10 m bedragen, tenzij de bestaande afstand reeds minder bedraagt;

d.         het bepaalde onder d en e is niet van toepassing bij hoekoplossingen, patiowoningen en clusterwoningen;

e.         de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan aangegeven op de verbeelding;

f.          het bebouwde oppervlak van de bouwpercelen niet bestemd voor woondoeleinden mag niet meer bedragen dan 75%;

g.         de voor-, achter- en zijgevels zoals deze bij realisatie van de hoofdgebouwen ontstaan, worden, onverminderd het bepaalde onder j, aangemerkt als bebouwingsgrens waarbinnen de hoofdgebouwen dienen te worden gebouwd, met dien verstande dat de bouwdiepte in ieder geval mag bedragen:

1.    voor aaneengesloten woningen:            9 meter,

2.    voor halfvrijstaande woningen:                              10 meter,

3.    voor vrijstaande woningen:                      12 meter.

h.         de goothoogte en de hoogte zoals deze bij realisatie van de hoofdgebouwen ontstaan, worden aangemerkt als maximale goothoogte en hoogte waarbinnen de hoofdgebouwen dienen te worden gebouwd;

i.           voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij woningen gelden de volgende bepalingen:

1.    de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen uitsluitend worden gebouwd op een afstand van niet minder dan 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw;

2.    de goot- en/of boeiboordhoogte mag niet meer bedragen dan de hoogte van de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw waartoe deze bebouwing behoort, vermeerderd met 0,25 m;

3.    de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen plat worden afgedekt of met een dakhelling kleiner dan 450; indien de dakhelling van het hoofdgebouw groter is dan 450 mogen de aan- en uitbouwen en bijgebouwen een dakhelling overeenkomstig het hoofdgebouw hebben;

4.    de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag bij elke woning niet meer bedragen dan 15% van het bij de woning behorende kadastrale perceel, met een maximum van 75 m².

j.           voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel, gelden de volgende bepalingen:

1.    de oppervlakte van de gebouwen bedraagt ten hoogste 50 m²;

2.    de hoogte van de gebouwen bedraagt ten hoogste 5 m.


 

4.2.3         Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

a.      op en in de gronden mogen uitsluitend worden gebouwd bij de bestemming behorende andere bouwwerken , zoals palen, masten, verkeers-, reclame- en andere tekens en terreinafscheidingen.

b.      de bouwhoogte van andere bouwwerken mag niet meer bedragen dan daarbij hierna is aangegeven:

 

bouwwerken   

max. bouwhoogte

pergola’s

palen, masten en reclame- en andere tekens

3 m

9 m

verlichtingsmasten

9 m

overkappingen

3 m

erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevel

1 m

overige erf- en terreinafscheidingen en overige andere bouwwerken

speelvoorzieningen

2 m

 

5 m

 

4.3          Ontheffing van de bouwregels

 

4.3.1                      Parkeernormen

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing  verlenen van het bepaalde in lid 1 sub g voor het wijzigen van de parkeernormen  in verband met en overeenkomstig een nieuwe door de gemeenteraad vast te stellen parkeernota, dan wel een wijziging van de parkeernormen.

               

4.4       Specifieke gebruiksregels

 

4.4.1      Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in lid 1 van artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend:

 

a.       het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting dan wel prostitutiebedrijf;

b.      het gebruik van vrijstaande bijgebouwen als woonruimte;

c.       het gebruik van onbebouwde gronden als stand- of ligplaats van onderkomens, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden;

d.      het gebruik van onbebouwde gronden als opslag-, stort- of bergplaats van machines, voer- en vaartuigen en andere al dan niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden;

e.      het gebruik van onbebouwde gronden als plaats voor sloop-, reparatie- of andere werkzaamheden aan auto’s, anders dan incidentele, reguliere onderhoudswerkzaamheden op beperkte schaal.


 

4.5          Ontheffing van de gebruiksregels

 

4.5.1      Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 1 sub a om opvang toe te staan.

 

4.5.2                      Ontheffing als bedoeld in lid 5.1 kan met name worden verleend, mits:

a.            geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en/of bouwwerken

b.            in voldoende parkeergelegenheid voorzien wordt conform de gemeentelijke parkeernormen zoals vastgelegd in de gemeentelijke Parkeernota d.d. 27 januari 2009 en de vastgestelde afwijkende parkeernormen d.d. 8 december 2009;

c.             aan de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen voor geluid wordt voldaan.


Artikel 5       Groen

 

5.1          Bestemmingsomschrijving

De voor Groen aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.            groenvoorzieningen, bermen en beplantingen;

b.            parken en plantsoenen;

c.            waterhuishoudkundige voorzieningen, watergangen en -partijen inclusief de daarbij behorende onderhoudspaden en/of –stroken, aanlegsteigers en bootinlaatplaatsen, met inachtneming van de keur van het waterschap;

d.            voet- en fietspaden;

e.            in- en uitritten uitsluitend voor zover deze noodzakelijk zijn voor het bereiken van de (aangrenzende) percelen;

f.             geluidswerende voorzieningen;

g.            bij deze bestemming behorende  voorzieningen, waaronder begrepen nutsvoorzieningen en speelvoorzieningen.

 

5.2          Bouwregels

Op en in deze gronden zijn uitsluitend niet voor bewoning bestemde gebouwen, zoals abri’s en telefooncellen en andere bouwwerken toegestaan, die ten dienste staan van de bestemming.

 

5.2.1      Niet voor bewoning bestemde gebouwen

Voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen gelden de volgende regels:

a.            de bruto-inhoud van de gebouwen bedraagt ten hoogste 50 m³;

b.            de bouwhoogte van de gebouwen bedraagt ten hoogste 5 m.

 

5.2.2      Andere bouwwerken

                Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende regels:

a.       Toegestaan zijn andere bouwwerken ten dienste van de bestemming, zoals geluidswerende voorzieningen, lichtmasten, informatieborden, wegwijzers, verkeerstekens en regelinstallaties, schakelkasten, pergola’s, straat- en pleinmeubilair, glascontainers, (beeldende) kunstwerken, speeltuigen, perceelsafscheidingen en kunstwerken ten behoeve van de waterhuishouding en de voet- en fietspaden.

b.      de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan daarbij hierna is aangegeven:

 

bouwwerken   

max. bouwhoogte

lichtmasten

9 m

andere masten, wegwijzers, verkeerstekens en -regel­in­­stal­laties, (beeldende) kunstwerken en geluidwerende voorzieningen

speelvoorzieningen

10 m

 

 

5 m

overige andere bouwwerken

5 m

 


 

5.3          Ontheffing van de bouwregels

 

5.3.1      Grotere maatvoering nutsvoorzieningen

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 2.1 en toestaan dat nutsgebouwen met een bebouwd oppervlak van niet meer dan 15 m² en een bouwhoogte van niet meer dan 4 m worden gerealiseerd, met inachtneming van de volgende regels:

a.            er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad;

b.            er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in de omgeving aanwezige architectonische en/of cultuurhistorische waarden;

c.            er bestaan geen bezwaren vanuit een verantwoorde stedenbouwkundige inrichting en vormgeving;

d.            de verkeersveiligheid mag niet in het gedrang komen.

 

5.3.2      Afwijkende maatvoering bouwwerken geen gebouwen zijnde

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 2.2 voor het bouwen van wegbewijzering, licht- en andere masten en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een grotere hoogte, met dien verstande dat:

a.                  tegen deze hoogte geen bezwaren vanuit een oogpunt van verkeersveiligheid of in verband met de ontsluiting van percelen bestaan;

b.                  geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken en de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad;

c.                   geen bezwaren vanuit een verantwoorde stedenbouwkundige en landschappelijke inrichting en vormgeving bestaan;

d.                  geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de in de omgeving aanwezige architectonische en/of cultuurhistorische waarden.

 

5.3.3      Ontheffing voor herinrichten groenvoorziening

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 1 teneinde wegen en parkeervoorzieningen toe te staan, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

a.            de ontheffing is noodzakelijk ten behoeve van een optimale verkeersafwikkeling dan wel in verband met de parkeerbehoefte binnen het gebied;

b.            de verkeersveiligheid in het gebied mag niet in het gedrang komen;

c.            een toename van de aantasting van het woon- en leefklimaat is niet toegestaan;

d.            er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan het ruimtelijk beeld van het openbaar (groen)gebied;

e.            er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan het gebruik van belendende percelen.

 

 

 

 

 


 

 

Artikel 6       Verkeer - Verblijf

 

6.1          Bestemmingsomschrijving

De voor “Verkeer - Verblijf” aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.                  verkeersvoorzieningen;

b.            voet- en fietspaden;

c.            parkeervoorzieningen;

d.            in-/uitritten;

e.            bermen en groenvoorzieningen;

f.             geluidswerende voorzieningen;

g.            water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder dammen met duikers en aanlegsteigers, bootinlaatplaatsen en kadetrappen met inachtneming van de keur van het waterschap;

h.            bij een en ander behorende andere voorzieningen, waaronder begrepen nutsvoorzieningen.

 

6.2          Bouwregels

 

6.2.1      Toegestane bouwwerken

Op en in de gronden als bedoeld in lid 1, mogen uitsluitend worden gebouwd:

a.            niet voor bewoning bestemde gebouwen, zoals nutsgebouwtjes en fietsenstallingen, niet zijnde verkooppunten voor motorbrandstoffen;

b.            andere bouwwerken ten dienste van de bestemming, zoals geluidswerende voorzieningen, lichtmasten, wegwijzers, verkeerstekens en  regelinstallaties, bovengeleidingsportalen, schakelkasten, straatmeubilair en (beeldende) kunstwerken;

 

6.2.2      Voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen als bedoeld in lid 2.1, onder a, gelden de volgende bepalingen:

1.            de bruto-inhoud van de gebouwen bedraagt ten hoogste 50 m³;

2.            de bouwhoogte van de gebouwen bedraagt ten hoogste 3,5 m.

 

6.2.3.     Voor het bouwen van andere bouwwerken als bedoeld in lid 2.1, onder b geldt, dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan daarbij hierna is aangegeven:

 

bouwwerken   

max. bouwhoogte

Lichtmasten

12 m

andere masten, wegwijzers, verkeerstekens en -regel­in­­stal­laties, (beeldende) kunstwerken en geluidwerende voorzieningen

10 m

overige andere bouwwerken

speelvoorzieningen

4 m

5m

 


Artikel 7       Water

 

7.1.        Bestemmingsomschrijving

De voor “Water” aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.            waterberging,

b.            de bescherming van het waterschapsbelang, zoals de instandhouding van de waterkering en de waterhuishouding,

c.            grachten, singels en andere watergangen en -partijen,

d.            onderhoudspaden, taluds, oeverbeschoeiingen, groenvoorzieningen en bermen met de daarbij behorende kunstwerken;

e.            overbouwingen en onderdoorgangen ten behoeve van het wegverkeer en langzaam verkeer;

f.             ter plaatse van de functieaanduiding “brug” tevens voor bruggen;

g.            aanlegsteigers, bootinlaatplaatsen en kadetrappen met inachtneming van de keur van het waterschap.

 

7.2.        Bouwregels

 

7.2.1      Op en in de gronden als bedoeld in lid 1, mogen uitsluitend andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd, zoals stuwen, gemalen, duikers en bruggen.

 

7.2.2      Voor het bouwen van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, als bedoeld in lid 2.1 gelden de volgende bepalingen:

a.            bij het beoordelen van een aanvraag om vergunning voor het oprichten van een ander bouwwerk, horen burgemeester en wethouders de beheerder van de waterkering of de watergang omtrent de voorwaarden die, gelet op het waterschapsbelang, aan de uitvoering van de bouwwerken moeten worden gesteld;

b.            de bouwhoogte van de andere bouwwerken mag niet meer dan 5 m bedragen.

 

 

Artikel 8               Wonen

 

8.1          Bestemmingsomschrijving

                De voor “Wonen” aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.            eengezinswoningen, woningen in gestapelde vorm en woningen ten behoeve van bijzondere woonvormen, met de daarbij behorende aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen;

b.            beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis, met dien verstande dat:

1.            het beroep of bedrijf door de bewoner van de woning wordt uitgeoefend welke bewoner maximaal 2 medewerkers mag hebben;

2.            het gebruik van de woning en de daarbij behorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen voor beroep of bedrijf niet mag leiden tot een (onevenredige) afbreuk of aantasting van:

•             het woonkarakter van de woning;

•             de ruimtelijke uitwerking of uitstraling van de (primaire) woonfunctie;

•             de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bebouwing;

•             het woongenot en de woonsituatie van de aangrenzende gronden en bebouwing;

•             het woonkarakter en woonmilieu van de straat, buurt of wijk.

3.            er geen sprake is van publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteiten aan huis;

4.            maximaal 35% van de bebouwde oppervlakte van de woning en de daarbij behorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag worden benut voor het beroep of bedrijf, met een maximum van 75 m²;

5.            het gebruik geen nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer en geen nadelige invloed heeft op de parkeerbehoefte in de openbare ruimte;

6.            er geen beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten in de openbare ruimte rond de woning mogen plaatsvinden, met uitzondering van in- en uitladen;

7.            het geen milieuvergunningsplichtige of meldingsplichtige bedrijven in het kader van de Wet milieubeheer betreft, zoals deze luidt op het tijdstip van het verkrijgen van rechtskracht  van dit plan, met dien verstande dat in ieder geval zijn toegestaan de activiteiten die in de van deze regels deel uitmakende bijlage Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging zijn aangemerkt als categorie A, dan wel daarmee gelijk kunnen worden gesteld voor wat betreft hun ruimtelijke uitwerking voor de omgeving;

8.            geen buitenopslag plaatsvindt;

9.            reclame-uitingen maximaal 0,15 m² zijn en plat tegen de gevel worden gemonteerd of vrijstaand op een maximale hoogte van 1 meter op eigen terrein.

c.            bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals tuinen en erven, groen, speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

d.            verkeersvoorzieningen ter plaatse van de aanduiding:

               

aanduiding

doeleinden

verblijfsgebied

 woonerven, woonstraten, pleinen en speelvoorzieningen

 


 

e.            bij deze bestemming behorende nutsvoorzieningen en voorzieningen voor het telecommunicatieverkeer, openbaar vervoer en wegverkeer met dien verstande dat per woning voorzien dient te worden in voldoende parkeergelegenheid conform de gemeentelijke parkeernormen zoals vastgelegd in de gemeentelijke parkeernota d.d. 27 januari 2009 en de vastgestelde afwijkende parkeernormen d.d. 8 december 2009.

 

8.2          Bouwregels

Op en in deze gronden zijn uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, die ten dienste staan van de bestemming.

 

8.2.1      Gebouwen – algemeen

Voor het bouwen van woningen gelden de volgende regels:

a.              woningen mogen alleen binnen het bouwvlak worden gebouwd;

b.                            het maximaal aantal woningen per deelgebied bedraagt niet meer dan op de verbeelding, door middel van de maatvoeringsaanduiding “maximum aantal wooneenheden” is aangegeven;

c.            de bouwhoogte mag niet meer zijn dan zoals aangegeven op de verbeelding;

d.            de afstand van een achtergevel van een woning tot de achtergevel van een achterliggende woning bedraagt tenminste 15 m;

e.            de afstand tussen de voorgevels van de woningen onderling, dan wel voorgevels en achtergevels van woningen onderling, mag niet minder dan 10 m bedragen;

f.             het bepaalde lid 2.1 sub d en e is niet van toepassing bij hoekoplossingen, patiowoningen en clusterwoningen;

g.            de voor-, achter- en zijgevels zoals deze bij realisatie van de hoofdgebouwen ontstaan, worden, onverminderd het bepaalde in lid 2.2,aangemerkt als bebouwingsgrens waarbinnen de hoofdgebouwen dienen te worden gebouwd, met dien verstande dat de bouwdiepte in ieder geval mag bedragen:

-  voor aaneengesloten woningen:        9 m;

-  voor halfvrijstaande woningen:          10 m;

-  voor vrijstaande woningen:                  12 m;

h.            de goothoogte en de hoogte zoals deze bij realisatie van de hoofdgebouwen ontstaan, worden aangemerkt als maximale goothoogte en hoogte waarbinnen de hoofdgebouwen dienen te worden gebouwd;

i.             voor zover de hoogte van een nieuwe woning meer bedraagt dan de hoogte van de meest nabij gelegen - ten tijde van het in ontwerp ter visie leggen van het bestemmingsplan “Vathorst” -  reeds bestaande woning in of grenzend aan het plangebied, zal de afstand van de nieuwe woning tot aan die bestaande woning tenminste gelijk zijn aan de hoogte van dat nieuwe gebouw;

j.             kelders die zijn gelegen geheel onder het maaiveld zijn overal toegestaan waar gebouwen zijn toegestaan, waarbij het bebouwingspercentage mag worden overschreden.

 

8.2.2      Aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

a.            deze bouwwerken mogen binnen en buiten het bouwvlak worden gebouwd; voor zover deze bouwwerken binnen het bouwvlak worden gebouwd, dienen ze op een afstand van niet minder dan 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw te worden gebouwd;

b.            de goot- en/of bouwhoogte van aanbouwen, aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde overkappingen mag niet meer bedragen dan de hoogte van de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw waartoe deze bebouwing behoort, vermeerderd met 0,25 m;

c.            de goot- en/of bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 3 m;

d.            de aan- en bijgebouwen en overkappingen mogen plat worden afgedekt of met een dakhelling kleiner dan 450; indien de dakhelling van het hoofdgebouw groter is dan 450 mogen de aan- en bijgebouwen een dakhelling overeenkomstig het hoofdgebouw hebben;

e.            de gezamenlijke oppervlakte van aan- en bijgebouwen en overkappingen mag bij elke woning niet meer bedragen dan 15% van het bouwperceel met een maximum van 75m2, met dien verstande dat de oppervlakte van erkers en aanbouwen aan de voorzijde niet meegerekend worden;

 

8.2.3      Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan daarbij hierna is aangegeven:

               

bouwwerken

max. bouwhoogte

pergola’s

3 m

palen en masten, zoals lichtmasten en vlaggenmasten

9 m

erfafscheidingen op het voorerf

1 m

overige erfafscheidingen

2 m

overige andere bouwwerken

speelvoorzieningen

3 m

5 m

 

8.3          Ontheffing van de bouwregels

 

8.3.1      Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in:

a.                  lid 2.1 sub d en e van dit artikel en toestaan dat de onderlinge afstand tussen voorgevels en/of achtergevels van bedoelde hoofdgebouwen wordt verkleind tot een afstand van 7 meter;

b.                  lid 2.2 sub a ten behoeve van het verkleinen van de afstand van een aan- of bijgebouw of overkapping tot (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw dan wel voor het bouwen van een aan- of bijgebouw of overkapping vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw;

d.                           lid 2.2 sub a, ten behoeve van het bouwen van erkers en ingangspartijen, aan de voorgevel van een woning:

1.            met een diepte van ten hoogste 1,5 m, mits de diepte van de overblijvende, niet met gebouwen bebouwde voortuin ten minste 2,5 m bedraagt,

2.            met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 12 m², en

3.            met een goot- en/of boeiboordhoogte bouwhoogte van ten hoogste de hoogte van de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,25 m;

e.            lid 2.3, ten behoeve van het bouwen van erfafscheidingen tot een hoogte van maximaal 3 meter, mits dit niet leidt tot een onevenredige afbreuk van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bebouwing;

f.             lid 2.3,  ten behoeve van het bouwen van hogere erfafscheidingen op het voorerf, met dien verstande dat:

1.            de erfafscheiding uitsluitend op de erfgrens tussen twee aaneengebouwde woningen mag worden gebouwd;

2.            de afstand tot de naar de weg gekeerde perceelgrens tenminste 2,5 m bedraagt;

3.            de bouwhoogte niet meer dan 2 m mag bedragen.


 

8.3.2      Ontheffing als bedoeld in lid lid 3.1 kan slechts worden verleend, mits:

a.            de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;

b.            het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad.

 

8.4          Specifieke gebruiksregels

Onder verboden gebruik als bedoeld in lid 1 van artikel 7.10 Wet ruimtelijke ordening wordt mede verstaan :

a.            het gebruik van vrijstaande bijgebouwen als woonruimte;

b.            het gebruik van garageboxen/garages voor bedrijfsmatige opslag en overige activiteiten met een bedrijfsmatig karakter;

c.                            het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting dan wel prostitutiebedrijf;

d.           het gebruik van onbebouwde gronden als stand- of ligplaats van onderkomens, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden;

e.           het gebruik van onbebouwde gronden als opslag-, stort- of bergplaats van machines,   voer- en vaartuigen en andere al dan niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden;

f.                   het gebruik van onbebouwde gronden als plaats voor sloop-, reparatie- of andere werkzaamheden aan auto’s, anders dan incidentele, reguliere onderhoudswerkzaamheden op beperkte schaal.

 

8.5          Ontheffing parkeernormen

 

8.5.1      Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing  verlenen van het bepaalde in lid 1 sub d voor het wijzigen van de parkeernormen  in verband met en overeenkomstig een nieuwe door de gemeenteraad vast te stellen parkeernota, dan wel een wijziging van de parkeernormen.

 

 

 


Artikel 9       Waarde – Archeologie (dubbelbestemming)

 

9.1       Bestemmingsomschrijving

De voor “Waarde – Archeologie” aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.

 

9.2          Bouwregels

                           Op en in gronden als bedoeld in lid 1 mogen ten dienste van de bestemming “Waarde – archeologie AWG2” uitsluitende worden gebouwd ander bouwwerken met een maximale bouwhoogte van 4 meter.

 

9.2.1.       archeologisch onderzoeksrapport

Op en in de gronden als bedoeld in lid 1 mag ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemming(en) slechts worden gebouwd overeenkomstig de regels van die bestemming(en) en mits de aanvrager van een bouwvergunning een archeologisch onderzoeksrapport heeft overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld.

 

9.2.2         uitzondering

Het bepaalde onder lid 2.1 met betrekking tot het overleggen van een archeologisch onderzoeksrapport is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op:

a.         vervanging, vernieuwing of verandering van de bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande fundering;

b.         de met de oprichting van een bouwwerk samenhangende bodemingrepen niet dieper zijn dan 30cm;

c.          indien op voorhand is vastgesteld dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad.

 

9.2.3      verlening vergunning

Burgemeester en wethouders verlenen de onder lid 2.2 bedoelde vergunning indien naar hun oordeel uit het daar genoemde rapport genoegzaam blijkt dat:

a.         er geen archeologische waarden kunnen worden geschaad of

b.         schade door de met de oprichting van het bouwwerk samenhangende activiteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het aan de bouwvergunning verbinden van voorwaarden.

 

9.2.4         voorwaarden verlening vergunning

De volgende in lid 2.3 genoemde voorwaarden kunnen door burgemeester en wethouders aan de vergunning worden verbonden zoals:

a.         de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;

b.         de verplichting tot het doen van opgravingen en

c.          de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.


 

9.2.5         weigering

De onder lid 2.2 bedoelde vergunning kan worden geweigerd indien door de bodemverstoring het belang van de archeologie onevenredig wordt geschaad.

 

9.3            Aanlegvergunning

 

9.3.1         werken en werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

a.       het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 30cm, waartoe ook wordt gerekend afgraven, woelen mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage;

b.      het ophogen van de bodem van de bodem met meer dan 30cm;

c.       het aanleggen, vergraven, verruimen en dempen van sloten, vijvers en andere wateren op een grotere diepte dan 30cm;

d.      het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de diepte van de aan te brengen verharding meer dan 30cm bedraagt;

e.      het uitvoeren van heidewerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond op een groter diepte dan 30cm;

f.        het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd op een grotere diepte dan 30cm en het aanleggen van diepwortelende beplanting;

g.       het omzetten van grasland in bouwland;

h.      het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen van het daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur op een grotere diepte dan 30cm.

 

9.3.2         archeologisch onderzoeksrapport

a.         De aanvrager van de aanlegvergunning als bedoeld in lid 3.1 legt een archeologisch onderzoeksrapport over waarin de archeologische waarden van de gronden die volgens de aanvraag zullen worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld.

b.         De onder lid 3.2 sub beschreven verplichting tot het overleggen van een archeologisch onderzoeksrapport geldt niet indien op voorhand is vastgesteld dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad.

 

9.3.3         verlening aanlegvergunning

Burgemeester en wethouders verlenen de aanlegvergunning indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in lid 3.2 genoegzaam blijkt dat:

a.         er geen archeologische waarden kunnen worden geschaad of

b.         schade door de met de oprichting van het bouwwerk samenhangende activiteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het aan de bouwvergunning verbinden van voorwaarden.


 

9.3.4         voorwaarden verlening vergunning

De volgende in lid 3.3 genoemde voorwaarden kunnen door burgemeester en wethouders aan de vergunning worden verbonden zoals:

a.         de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;

b.         de verplichting tot het doen van opgravingen en

c.          de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

 

9.3.5         weigering

                           De onder lid 3.2 bedoelde vergunning kan worden geweigerd indien door de bodemverstoring het belang van de archeologie onevenredig wordt geschaad.

 

9.3.6         uitzondering

Het in lid 3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

a.         het normale onderhouw en/of gebruik betreffen;

b.        reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning al mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;

c.         ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.

 

 


 

Artikel 10    Waterstaat – Waterkering (dubbelbestemming)

 

 

10.1       Bestemmingsomschrijving

De voor “Waterstaat - waterkering” aangewezen gronden zijn naast het bepaalde in de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, tevens bestemd voor;

a.       de instandhouding, bescherming, verbetering en het beheer van de waterkering;

b.      dijken en kaden;

c.       wegen en paden.

 

10.2       Bouwregels

 

10.2.1    In afwijking van het bepaalde bij de basisbestemmingen en de andere dubbelbestemmingen mag op deze gronden niet anders worden gebouwd dan ten dienste van de bestemming “Waterstaat – waterkering”.

 

10.2.2    De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 meter.

 

10.3.      Ontheffing van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 2.1 van dit artikel ten behoeve van het oprichten van bouwwerken overeenkomstig de voorschriften van de daarvoor aangewezen andere bestemming, mits:

a.            geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het doelmatig functioneren van de waterkering en de veiligheid daarvan;

b.            vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij het Waterschap Vallei & Eem omtrent het onder a gestelde.

 

10.4       Aanlegvergunning

 

10.4.1    Indien en voor zover deze gronden samenvallen met gronden, waarvoor in een basisbestemming of andere dubbelbestemming een aanlegvergunningenstelsel van kracht is, geldt dat de daarin genoemde werken en werkzaamheden, voor zover deze althans niet worden uitgevoerd ter realisering of instandhouding van de dubbelbestemming waterstaatsdoeleinden waterkering, uitsluitend toelaatbaar zijn, mits:

a.       door die werken of werkzaamheden tevens geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waterstaatsbelangen, zoals omschreven in lid 1 van dit artikel;

b.      vooraf advies is ingewonnen bij het Waterschap Vallei & Eem.

 

10.4.2      Indien en voor zover deze gronden samenvallen met gronden, waarvoor in een basisbestemming of andere dubbelbestemming een aanlegvergunningenstelsel van kracht is, geldt dat de daarin genoemde werken en werkzaamheden, voor zover deze althans worden uitgevoerd ter realisering of instandhouding van de dubbelbestemming waterstaatsdoeleinden waterkering, uitsluitend toelaatbaar zijn, mits door die werken of werkzaamheden, geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan één of meer van de in de doeleindenomschrijving voor die gronden genoemde functies en waarden, met dien verstande dat geen aanlegvergunning is vereist voor werken of werkzaamheden met betrekking tot het aanbrengen van rivier- en kanaalverlichting, bebakeningvoorwerpen en waterstandsignalerende apparatuur.

10.5          Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in lid 1 van artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening wordt in ieder geval gerekend een gebruik ten behoeve van een basisbestemming of andere dubbelbestemming, waardoor een onevenredige afbreuk aan de waterstaatsbelangen wordt gedaan.


 

HOOFDSTUK 3.   ALGEMENE REGELS

 

 

Artikel 11    Anti-dubbeltelbepaling

 

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

 


 

Artikel 12    Algemene bouwregels

 

 

12.1       Overschrijding bouwgrenzen

In uitzondering op het bepaalde in hoofdstuk 2 (Bestemmingsregels) mag de bouwgrens door ondergeschikte bouwdelen worden overschreden, met dien verstande dat:

a.            plinten, pilasters, kozijnen, hemelwaterafvoeren, ventilatiekanalen en rookkanalen de bouwgrens met ten hoogste 0,3 meter mogen overschrijden;

b.            luifels en overstekende daken de bouwgrens met ten hoogste 1 meter mogen overschrijden;

c.            bij bouwwerken die boven een openbaar voetpad worden aangebracht, een minimale doorgangshoogte van 2,2 meter dient te worden aangehouden;

d.            bij bouwwerken die boven een rijbaan worden aangebracht, een minimale doorgangshoogte van 4,2 meter dient te worden aangehouden.

 

12.2       Ontheffing

Burgemeester en wethouders kunnen, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

•             de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

•             het straat- en bebouwingsbeeld;

ontheffing  verlenen ten behoeve van het bouwen van luifels, balkons, bordessen, trappen, galerijen, reclametoestellen en draagconstructies voor reclame, mits:

a.            de bouwgrens met niet meer dan 1,5 meter wordt overschreden;

b.            de bouwwerken niet lager worden aangebracht dan 4,20 meter boven een rijbaan en 2,20 meter boven een voetpad.

 

 

 


 

Artikel 13    Algemene ontheffingsregels

 

13.1       Ontheffingen

Burgemeester en wethouders kunnen  ontheffing verlenen van de desbetreffende bepalingen van het plan:

a.            voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen van openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, schakelhuisjes, abri’s, telefooncellen, fietsenstallingen, weegbruggen en dienstgebouwtjes voor onderhoud of gebruik van openbaar groen, wegen of speelplaatsen, uitgezonderd verkooppunten voor motorbrandstoffen, waarvan de goothoogte niet meer dan 3 m en de inhoud niet meer dan 50 m3 mag bedragen;

b.            voor het in geringe mate overschrijden van de bestemmings- of bouwgrenzen met ten hoogste 3 m, mits dit noodzakelijk is voor de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of bebouwing,   mits daardoor de geldende oppervlakte van de bij de afwijking betrokken vlakken met niet meer dan 10 % wordt vergroot;

c.            voor afwijkingen van eisen, gesteld ten aanzien van aantallen, maten, afmetingen en percentages, mits die afwijkingen beperkt blijven tot ten hoogste 10% van de in het plan aangegeven aantallen, maten, afmetingen en percentages.

 

13.2       Voorwaarden

De ontheffingen als bedoeld in lid 1 van dit artikel worden geweigerd indien door het verlenen van ontheffing:

a.            op enig aangrenzend terrein de realisering van de bestemming wordt belemmerd;

b.            daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende terreinen;

c.            daardoor de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad.


Artikel 14    Algemene procedureregels

 

Bij het verlenen van ontheffing wordt de procedure gevolgd, die is vervat in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.


 

HOOFDSTUK 4.   OVERGANGS- EN SLOTREGELS

 

Artikel 15    Overgangsrecht

 

15.1       Overgangsrecht bouwwerken

a.            Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

1.            gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

2.            na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

b.            Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig ontheffing verlenen van het eerste lid voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.

c.            Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

 

15.2       Overgangsrecht gebruik

a.            Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

b.            Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

c.            Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

d.            Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

               

15.3       Hardheidsclausule

Voor zover toepassing van het overgangsrecht bouwwerken of gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard jegens een of meer natuurlijke personen kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van die persoon of personen van dat overgangsrecht vrijstelling verlenen.

 


 

Artikel 16    Slotregel             

 

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan “ Vathorst, De Laak 2A”.

 

 

 

 

 


BIJLAGE 1. STAAT VAN BEDRIJFSACTIVITEITEN – FUNCTIEMENGING

 

 

SBI-CODE

SBI-CODE 2008

OMSCHRIJVING

 

-

-

 

CATEGORIE

221

581

Uitgeverijen (kantoren)

A

2223

1814

Grafische afwerking

A

223

182

Reproductiebedrijven opgenomen media

A

361

9524

Meubelstoffeerderijen b.o. < 100 m2

A

511

461

Handelsbemiddeling (kantoren)

A

527

952

Reparatie t.b.v. particulieren (excl. Auto’s en motorfietsen)

A

553

561

Restaurants. Cafetaria’s, snackbars, ijssalaons met eigen ijsbereiding, viskramen etc.

A

5551

5629

Kantines

A

61, 62

50, 51

Vervoersbedrijven (uitsluitend kantoren)

A

6322, 6323

5222

Overige dienstverlening t.b.v. vervoer (kantoren)

A

633

791

Reisorganisaties

A

642

61

Telecommunicatiebedrijven

A

70

41, 68

Verhuur van en handel in onroerend goed

A

72

62

Computerservice- en informatietechnologie-bureaus e.d.

A

732

722

Maatschappij- en geesteswetenschappelijk onderzoek

A

74

63, 69 t/m 71, 73, 74, 77, 78, 80 t/m 82

Overige zakelijke dienstverlening: kantoren

A

75

84

Openbaar bestuur (kantoren e.d.)

A

8512, 8513

8621, 8622, 8623

Artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven

A

8514, 8515

8691, 8692

Consultatiebureaus

A

9111

941, 942

Bedrijfs- en werknemersorganisaties (kantoren)

A

9251, 9252

9101, 9102

Bibliotheken, musea, ateliers, e.d.

A

9301.3

96013

Wasserettes, wassalons

A

9302

9602

Kappersbedrijven en schoonheidsinstituten

A

9305

9609

Persoonlijke dienstverlening n.e.g.

A