Regels

 

 

 

 

 

 

 

Herziening bestemmingsplan Vathorst,

Cluster De Bron

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kenmerk:

Documentnummer      #3342599 v1

GML-bestand             NL.IMRO.0307.bpclusterdebron-0301;


INHOUDSOPGAVE VOORSCHRIFTEN          

 

HOOFDSTUK 1.           INLEIDENDE REGELS  2

Artikel 1.        Begrippen  2

Artikel 2.        Wijze van meten  5

HOOFDSTUK 2.           BESTEMMINGSREGELS  6

Artikel 3.        Maatschappelijk  6

Artikel 4.        Water 8

 

HOOFDSTUK 3.           ALGEMENE REGELS  9

Artikel 5.        Anti-dubbeltelbepaling  9

Artikel 6.        Algemene bouwregels  10

Artikel 7.        Algemene gebruiksregels  11

Artikel 8.        Algemene ontheffingsregels  12

Artikel 9.        Algemene wijzigingsregels  13

HOOFDSTUK 4.           OVERGANGS- EN SLOTREGELS  14

Artikel 10.      Overgangsrecht 14

Artikel 11.      Aanvullende strafbepalingen  15

Artikel 12.      Slotregel 16

 

 


HOOFDSTUK 1.      INLEIDENDE REGELS

 

Artikel 1.         Begrippen

1.1.  plan:

het bestemmingsplan “Herziening bestemmingsplan Vathorst, cluster De Bron” van de gemeente Amersfoort;

1.2.  bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met bijbehorende regels als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0307.bpclusterdebron-0301;

1.3.  aan- of uitbouw:

een onderdeel van een hoofdgebouw dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

1.4.  aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.5.  aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.6.  ander bouwwerk:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde;

1.7.  bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

1.8.  bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak;

1.9.  bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.10.  bijgebouw:

vrijstaand gebouw, dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde erf gelegen hoofdgebouw;

1.11.  bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een standplaats;

1.12.  bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

1.13.  bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitzondering van onderbouw en ruimten in de kap;

1.14.  bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.15.  bouwperceelgrens:

een grens van een bouwperceel;

1.16.  bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.17.  bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.18.  dienstverlening:

het beroepsmatig verlenen van diensten, met uitzondering van prostitutie, waarbij een onderscheid kan worden gemaakt in:

a.        administratieve, financiële en zakelijke dienstverlening en dergelijke:

het verrichten van administratieve en daarmede gelijk te stellen werkzaamheden, al dan niet met daaraan ondergeschikte baliewerkzaamheden;

b.        publieksgerichte dienstverlening:

dienstverlening door een bedrijf of instelling dat in hoofdzaak baliewerkzaamheden verricht of andere diensten verleent gericht op het publiek, zoals stomerijen, wasserettes, kappers, pedicures, makelaars, reis- en uitzendbureaus en dergelijke;

1.19.  duiker:

  doorgang onder een weg of perceel voor het afvoeren of inlaten van water;

1.20.  erf:

al dan niet bebouwde perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw;

1.21.  gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.22.  hoofdgebouw:

gebouw, dat op een erf door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken;

1.23.  horeca-C:

dienstverlening door middel van de exploitatie van (sport)kantines, welke exploitatie ondergeschikt is aan en ten dienste staat van de hoofdfunctie, welke op het perceel dan wel in het gebouw wordt uitgeoefend;

1.24.  kunstwerk:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, ten behoeve van wegen en waterlopen, zoals een brug, duiker of viaduct;

1.25.  maatschappelijke voorzieningen:

educatieve, medische, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, religieuze, sport- en recreatieve voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, opvangvoorzieningen en nutsvoorzieningen;

1.26.  ontheffing:

een ontheffing van de voorschriften van dit plan als bedoeld in artikel 3.6, lid 1, onder c van de Wet ruimtelijke ordening;

1.27.  opvangvoorzieningen:

opvang van kinderen, in speciaal daarvoor ingestelde verblijven;

1.28.  prostitutie:

het aanbieden van seksuele diensten tegen een materiële vergoeding;

1.29.  prostitutiebedrijf:

een bedrijf waar prostitutie het hoofdbestanddeel van de activiteiten vormt, een erotische massagesalon mede begrepen;

1.30.  seksinrichting:

een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht; onder een seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een parenclub of prosti­tutie­bedrijf, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.31.  voorerf:

gedeelte van het erf dat aan de voorkant van het gebouw is gelegen;

1.32.  voorgevel:

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of de als zodanig aangeduide gevel van een hoofdgebouw;

1.33.  warmte-koude-opslag:

het opslaan van warmte en/of koude in de bodem waarbij gebruik wordt gemaakt van de temperatuur van het grondwater om gebouwen te verwarmen in de winter en/of af te koelen in de zomer.


Artikel 2.         Wijze van meten

2.1.  Bij de toepassing van deze voorschriften wordt als volgt gemeten

a.        de lengte, breedte en de diepte van een bouwwerk:

tussen de lijnen, getrokken door de buitenzijde van de gevelvlakken en/of het hart van de scheidsmuren;

b.        de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

c.        peil:

1.   voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
2.   voor de overige gebouwen: de hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
3.   voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat direct aan de weg grenst: de kruin van de weg;
4.   voor de overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein bij voltooiing van de bouw;
5.   de (maaiveld)hoogte van een voor een erf of erven als zodanig aangegeven punt;

d.        de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

e.        de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

f.         de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

g.        dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

h.        afstand tot de perceelgrens:

de kortste afstand van enig punt van een bouwwerk tot een bepaalde grens van het erf;

i.         oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen:

bij de berekening van de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden niet meegerekend (gedeelten van) aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelegen binnen het bouwvlak;

j.         de hoogte van een windturbine:

vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.

 

 


HOOFDSTUK 2.      BESTEMMINGSREGELS

 

Artikel 3.         Maatschappelijk

3.1.  Bestemmingsomschrijving

De voor “Maatschappelijk” aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.        onderwijs- en opvangvoorzieningen;  

b.        sociaal-culturele voorzieningen;

c.        waterpartijen;

d.        verkeers- en verblijfsvoorzieningen;

e.        sportvoorzieningen;

f.         speelvoorzieningen;

g.        horeca-C;

h.        bij een en ander behorende voorzieningen, zoals groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag, en fietsenstallingen;

i.         een en ander met dien verstande dat voorzien dient te worden in voldoende parkeergelegenheid conform de gemeentelijke parkeernorm zoals vastgelegd in de gemeentelijke Parkeernota d.d. 27 januari 2009.

3.2.  Toegestane bouwwerken

                                Op en in de gronden als bedoeld in lid 1, mogen uitsluitend worden gebouwd:

a.        gebouwen ten dienste van de bestemming;

b.        ondergrondse bebouwing ten behoeve van warmte-koude-opslag;

c.        andere bouwwerken ten dienste van de bestemming, zoals luifels, pergola’s, verlichtingselementen en ander straatmeubilair, speeltoestellen, fietsenstallingen, duikers, bruggen, nutsvoorzieningen, vuilcontainers, beeldende kunstwerken, geluidsschermen, kades en terreinafscheidingen.

3.3.  Bouwregels

Voor het bouwen van bouwwerken als bedoeld in lid 2 gelden de volgende bepalingen:

a.        de gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;

b.        binnen de bestemming mag de oppervlakte van de bebouwing niet meer bedragen dan het gegeven percentage van de oppervlakte van het bouwvlak;

c.        de goothoogte en bouwhoogte van gebouwen mogen niet meer bedragen dan ter plaatse is aangegeven;

d.        binnen de bestemming dient minimaal 1 (onder)doorgang te worden gerealiseerd/gehandhaafd van de noordoost naar de zuidwestzijde van de bebouwing, waarbij de bebouwingsvrije ruimte een minimale hoogte heeft van 3 meter, gemeten vanaf het peil;

e.        de bouwhoogte van andere bouwwerken mag niet meer bedragen dan daarbij hierna is aangegeven:

 

Bouwwerken

max. bouwhoogte

Palen, masten, en reclame- en andere tekens

10 m

Lichtmasten

10 m

Luifels

6 m

Overkappingen

3 m

Geluidschermen

5 m

Erf- en terreinafscheidingen en overige andere bouwwerken

3 m

Overige andere bouwwerken

5 m

3.4.  Ontheffing ander soort maatschappelijke voorziening

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid 1, ten behoeve van het toelaten van maatschappelijke voorzieningen in de vorm van educa­tieve, medische, sociaal-medische, alsmede openbare dienstverlening ter plaatse van de bestemming M(o), mits deze geen onevenredig nadelige gevolgen voor de woonomgeving hebben, in de vorm van geluids-, verkeers- of parkeeroverlast.

3.5.  Procedure bij ontheffing

Bij het verlenen van ontheffing wordt de procedure gevolgd, die is vervat in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.


Artikel 4.         Water

4.1.  Bestemmingsomschrijving

            De voor “Water” aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.        de bescherming van het waterschapsbelang, zoals de instandhouding van de waterkering en de waterhuishouding;

b.        watergangen en –partijen;

c.        onderhoudspaden, taluds, oeverbeschoeiingen, groenvoorzieningen en bermen met de daarbij behorende kunstwerken;

d.        overbouwingen en onderdoorgangen ten behoeve van het wegverkeer en langzaam verkeer.

 

4.2.    Bouwregels

a.        Op en in de gronden als bedoeld in lid 1, mogen uitsluitend andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd, zoals stuwen, gemalen, duikers en bruggen;

b.        Voor het bouwen van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, als bedoeld in lid 2 gelden de volgende bepalingen:

1.   bij het beoordelen van een aanvraag om vergunning voor het oprichtenvan een ander bouwwerk, horen burgemeester en wethouders de beheerder van de waterkering of de watergang omtrent de voorwaarden die, gelet op het waterschapsbelang, aan de uitvoering van de bouwwerken moeten worden gesteld;
2.   de bouwhoogte van de andere bouwwerken mag niet meer dan 5 m bedragen.

 

HOOFDSTUK 3.   ALGEMENE REGELS

 

Artikel 5.         Anti-dubbeltelbepaling

 

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

 


Artikel 6.         Algemene bouwregels

6.1.  Overschrijding bouwgrenzen

In uitzondering op het bepaalde in hoofdstuk 2 (Bestemmingsregels) mag de bouwgrens door ondergeschikte bouwdelen worden overschreden, met dien verstande dat:

a.        plinten, pilasters, kozijnen, hemelwaterafvoeren, ventilatiekanalen en rookkanalen de bouwgrens met ten hoogste 0,3 meter mogen overschrijden;

b.        luifels en overstekende daken de bouwgrens met ten hoogste 1 meter mogen overschrijden;

c.        bij bouwwerken die boven een openbaar voetpad worden aangebracht, een minimale doorgangshoogte van 2,2 meter dient te worden aangehouden;

d.        bij bouwwerken die boven een rijbaan worden aangebracht, een minimale doorgangshoogte van 4,2 meter dient te worden aangehouden.

6.2.  Ontheffing

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

§    de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

§    het straat- en bebouwingsbeeld,

ontheffing te verlenen ten behoeve van het bouwen van luifels, balkons, bordessen, trappen, galerijen, reclametoestellen en draagconstructies voor reclame, mits:

a.        de bouwgrens met niet meer dan 1,5 meter wordt overschreden;

b.        de bouwwerken niet lager worden aangebracht dan 4,20 meter boven een rijbaan en 2,20 meter boven een voetpad.

6.3.  Ontheffing

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het:

a.        het bepaalde in artikel 3 lid 1 onder f en artikel 4 lid 1 onder f, voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte wordt voorzien;

b.        het bepaalde in artikel 3 lid 1 onder f en artikel 4 lid 1 onder f, indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, tot welke bijzondere omstandigheden in elk geval worden gerekend:

1.   een te verwachten meer dan gemiddeld aantal gehandicapte gebruikers of bezoekers van het gebouw;
2.   een bestemming van het gebouw als parkeergarage, dan wel garagebedrijf.

6.4.  Procedure bij ontheffing

Bij het verlenen van ontheffing wordt de procedure gevolgd, die is vervat in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

 


Artikel 7.         Algemene gebruiksregels

 

Een verboden gebruik als bedoeld in artikel 7.10, lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening is in ieder geval het gebruik:

a.        van onbebouw­de gronden:

1.   als stand- of ligplaats van onderkomens, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden;
2.   als opslag-, stort- of bergplaats van machines, voer- en vaar­tui­gen en andere al dan niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden;
3.   als plaats voor sloop-, reparatie- of andere werkzaamheden aan auto’s, anders dan incidentele, reguliere onderhouds­werk­zaam­heden op beperkte schaal;
4.   de opslag en verkoop van motorbrandstoffen en LPG;

b.        van gebouwen en onbebouwde gronden:

1.   als seksinrichting.

Artikel 8.         Algemene ontheffingsregels

8.1.  Ontheffingen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van de desbetreffende bepalingen van het plan:

a.        voor het in geringe mate afwijken van een bestemmings- of bouwgrens en aanduidingen met ten hoogste 3 m, mits daardoor de geldende oppervlakte van de bij de afwijking betrokken vlakken met niet meer dan 10 % wordt verkleind of vergroot;

b.        voor afwijkingen van eisen, gesteld ten aanzien van maten en percentages, mits die afwijkingen beperkt blijven tot ten hoogste 10% van de in het plan aangegeven maten en percentages;

8.2.  Voorwaarden

De ontheffingen als bedoeld in lid 1 worden geweigerd indien door het verlenen van ontheffing:

a.        op enig aangrenzend terrein de realisering van de bestemming wordt belemmerd;

b.        daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende terreinen.

8.3.  Procedure bij ontheffing

Bij het verlenen van ontheffing wordt de procedure gevolgd, die is vervat in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.


Artikel 9.         Algemene wijzigingsregels

9.1.  Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1 onder a van de Wet ruimtelijke ordening, het plan wijzigen voor:

a.             Parkeren

de in dit plan genoemde gemeentelijke parkeernormen overeenkomstig een nieuwe door de gemeenteraad vast te stellen parkeernota, dan wel een wijziging van de parkeernormen.

9.2.  Procedure bij wijziging

Bij toepassing van een wijzigingsbevoegdheid wordt de procedure gevolgd, die is vervat in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.


 

HOOFDSTUK 4.      OVERGANGS- EN SLOTREGELS

 

Artikel 10.      Overgangsrecht

10.1.  Overgangsrecht bouwwerken

a.        Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

1.   gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
2.   na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

b.        Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig ontheffing verlenen van het eerste lid voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.

c.        Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

10.2.  Overgangsrecht gebruik

a.        Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

b.        Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

c.        Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

d.        Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

10.3.  Hardheidsclausule

 

                        Voor zover toepassing van het overgangsrecht bouwwerken of gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard jegens een of meer natuurlijke personen kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van die persoon of personen van dat overgangsrecht vrijstelling verlenen.


Artikel 11.      Aanvullende strafbepalingen

Overtreding van de verboden als genoemd in:

-          Artikel 7 (algemene gebruiksregels);

 

wordt hierbij als een strafbaar feit aangeduid in de zin van artikel 1a, onder 2° van de Wet op de economische delicten.


Artikel 12.      Slotregel             

 

Deze regels worden aangehaald als: Regels Herziening bestemmingsplan Vathorst, cluster De Bron.