REGELS

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kenmerk: 2977535 v1 sob/ro/pjz/brua 9 februari 2010

 


INHOUDSOPGAVE REGELS        

 

HOOFDSTUK 1.           INLEIDENDE REGELS  2

Artikel 1.        Begrippen  2

Artikel 2.        Wijze van meten  6

HOOFDSTUK 2.           BESTEMMINGSREGELS  7

Artikel 3.        Groen  7

Artikel 4.        Verkeer en Verblijf 8

Artikel 5.        Wonen  9

HOOFDSTUK 3.           ALGEMENE REGELS  12

Artikel 6.        Anti-dubbeltelbepaling  12

Artikel 7.        Algemene bouwregels  12

Artikel 8.        Algemene gebruiksregels  13

Artikel 9.        Algemene ontheffingsregels  14

 

HOOFDSTUK 4.           OVERGANGS- EN SLOTREGELS  15

Artikel 10.      Overgangsrecht 15

Artikel 11.      Slotregel 15

 

 

BIJLAGE 1  16

Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging  16

 

 


HOOFDSTUK 1.      INLEIDENDE REGELS

 

Artikel 1.         Begrippen

1.1.    plan:

het bestemmingsplan Kruiskamp Parkweelde II 2009 van de gemeente Amersfoort;

1.2.    bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met bijbehorende regels als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0307.bpParkweelde 2-vg01;

1.3.    aan- of uitbouw:

een onderdeel van een hoofdgebouw dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

1.4.    aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.5.    aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.6.    ander bouwwerk:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde;

1.7.    archeologisch belangrijke plaats:

gebied waarin belangrijke archeologische vindplaatsen worden verwacht;

1.8.    bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

1.9.    beroeps- of bedrijfsactiviteiten aan huis:

het verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied of het uitoefenen van een kleinschalig bedrijf aan huis die:
- in de van de regels deeluitmakende bijlage Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging zijn aangeduid
als categorie A, danwel daarmee gelijk kunnen worden gesteld voor wat betreft de gevolgen voor de omgeving,
- geen horeca, seksinrichtingen en detailhandel zijn, behoudens detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit van de ter plaatse uitgeoefende bedrijfsactiviteit en behoudens internetwinkels;
- in aard en omvang van de bedrijfsuitoefening met de woonfunctie verenigbaar is;

1.10.  bestaand bouwwerk:

een bouwwerk, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning;

1.11.  bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak;

1.12.  bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.13.  bevi-inrichtingen:

Bedrijven zoals bedoeld in artikel 2, lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;

1.14.  bijgebouw:

gebouw, dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde erf gelegen hoofdgebouw;

1.15.  bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een standplaats;

1.16.  bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

1.17.  bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitzondering van onderbouw en ruimten in de kap;

1.18.  bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop als gevolg van de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.19.  bouwperceelgrens:

een grens van een bouwperceel;

1.20.  bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar als gevolg van de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.21.  bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.22.  detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen voor gebruik, verbruik of aanwending overwegend anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.23.  erf:

al dan niet bebouwde perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw;

1.24.  gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.25.  hoofdgebouw:

gebouw, dat op een erf door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken;

1.26.  internetwinkel:

een specifieke vorm van detailhandel, waarbij:

- de transactie via internet tot stand komt,

- ter plaatse alleen opslag en distributie plaatsvindt,

- afhalen, tonen en afrekenen van goederen niet ter plaatse gebeurt;

1.27.  mantelzorg:

het bieden van hulp die aanvullend, niet beroepshalve aan bejaarden, zieken en andere hulpbehoevenden verleend wordt in een woning,  waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en met een ruimtelijke uitwerking of uitstraling die met de woonfunctie in overeenstemming is;

 

1.28.  ontheffing:

een ontheffing van de regels van dit plan als bedoeld in artikel 3.6, lid 1, onder c van de Wet ruimtelijke ordening;

 

1.29.  parkeereis

het aantal parkeerplaatsen dat op basis van de in Amersfoort geldende parkeernormen benodigd is voor een ruimtelijke ontwikkeling;

1.30.  peil:

a.     voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
b.     voor de overige gebouwen: de hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
c.     voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat direct aan de weg grenst: de kruin van de weg;
d.     voor de overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein bij voltooiing van de bouw;
e.     de (maaiveld)hoogte van een voor een erf of erven als zodanig aangegeven punt;
f.       indien in of op het water wordt gebouwd: de hoogte van het terrein ter plaatse van het meest nabijgelegen punt waar het water grenst aan het vaste land;

1.31.  prostitutie:

het aanbieden van seksuele diensten tegen een materiële vergoeding;

1.32.  prostitutiebedrijf:

een bedrijf waar prostitutie het hoofdbestanddeel van de activiteiten vormt, een erotische massagesalon mede begrepen;

1.33.  publieksgerichte beroeps- en bedrijfsactiviteiten aan huis:

beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten aan huis bestaande uit hoofdzakelijk baliewerkzaamheden of andere diensten die publiek aantrekken, zoals stomerijen, wasserettes, kappers, pedicures, makelaars, reis- en uitzendbureaus, kinderopvang, ateliers en dergelijke; in tegenstelling tot niet-publieksgerichte beroep- en bedrijfsactiviteit aan huis;

1.34.  seksinrichting:

een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht; onder een seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een parenclub of prosti­tutie­bedrijf, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.35.  voorerf:

gedeelte van het erf dat aan de voorkant van het gebouw ligt;

1.36.  voorgevel:

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of de naar het openbaar groen gekeerde gevel;

1.37.  voorgevelrooilijn:

denkbeeldige dan wel op de plankaart aangegeven grens van het bouwvlak die gericht is naar de weg of naar het openbaar groen en waarop de bebouwing is georiënteerd, die loopt  tot aan de perceelsgrenzen;

1.38.  woning:

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijke huishouding.

 


 

 

Artikel 2.         Wijze van meten

2.1.    Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten

a.        de lengte, breedte en de diepte van een bouwwerk:

tussen de lijnen, getrokken door de buitenzijde van de gevelvlakken en/of het hart van de scheidsmuren;

b.        de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

c.        de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

d.        de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

e.        de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

f.         dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

g.        afstand tot de perceelgrens:

de kortste afstand van enig punt van een bouwwerk tot een bepaalde grens van het erf;

h.        oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen:

bij de berekening van de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden niet meegerekend (gedeelten van) aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelegen binnen het bouwvlak;

i.         de hoogte van een windturbine:

vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.

 

 

 

 

 


HOOFDSTUK 2.      BESTEMMINGSREGELS

 

Artikel 3.         Groen

3.1.  Doeleindenomschrijving

De op de plankaart voor “Groen” aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.     groenvoorzieningen;

b.     watergangen en -partijen inclusief de daarbij behorende onderhoudspaden en/of –stroken;

c.     speelvoorzieningen;

d.     voet- en fietspaden;

e.     in- en uitritten;

f.       geluidwerende voorzieningen;

g.     bij een en ander behorende andere voorzieningen, waaronder begrepen nutsvoorzieningen en (ondergrondse) vuilcontainers;

3.2.  Toegestane bouwwerken

Op en in de gronden als bedoeld in lid 1, mogen uitsluitend worden gebouwd:

a.     niet voor bewoning bestemde gebouwen, zoals abri’s en telefooncellen;

b.     andere bouwwerken ten dienste van de bestemming, zoals geluidwerende voorzieningen, lichtmasten, informatieborden, wegwijzers, verkeerstekens en ‑regelinstallaties, schakelkasten, pergola’s, straat- en pleinmeubilair, glascontainers, (beeldende) kunstwerken, speeltuigen, terreinafscheidingen en kunstwerken ten behoeve van de waterhuishouding en de voet- en fietspaden.

3.3.  Bouwregels

a.     Voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen als bedoeld in lid 3.2, onder a, gelden de volgende bepalingen:

1.     de bruto-inhoud van de gebouwen bedraagt ten hoogste 50 m3;
2.     de hoogte van de gebouwen bedraagt ten hoogste 3,5 m.

b.     Voor het bouwen van andere bouwwerken als bedoeld in lid 3.2 geldt, dat de hoogte niet meer mag bedragen dan daarbij hierna is aangegeven:

 

bouwwerken      

max. hoogte

lichtmasten

12 m

andere masten, wegwijzers, verkeerstekens en -regel­in­­stal­laties, (beeldende) kunstwerken en geluidwerende voorzieningen

10 m

overige andere bouwwerken

4 m

 

 


 

Artikel 4.         Verkeer en Verblijf

4.1.    Bestemmingsomschrijving

De voor “Verkeer-Verblijf” aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.        verkeersvoorzieningen ter plaatse van de gegeven aanduiding:

 

Aanduiding

doeleinden

 

 

(V-V)

 

verkeer en verblijf

woonerven, woonstraten, pleinen en speelvoorzieningen

 

 

 

 

b.        voet- en fietspaden en parkeerplaatsen;

c.        bermen en groenvoorzieningen;

d.        geluidwerende voorzieningen;

e.        watergangen en –partijen inclusief de daarbij behorende onderhoudspaden en/of –stroken;

f.         bij een en ander behorende andere voorzieningen, waaronder begrepen nutsvoorzieningen en (ondergrondse) vuilcontainers.

 

4.2.    Toegestane bouwwerken

Op en in de gronden als bedoeld in lid 1, mogen uitsluitend worden gebouwd:

a.        niet voor bewoning bestemde gebouwen, zoals nutsgebouw, fietsenstallingen, abri’s en telefooncellen, niet zijnde verkooppunten voor motorbrandstoffen;

b.        andere bouwwerken ten dienste van de bestemming, zoals geluidwerende voorzieningen, lichtmasten, informatieborden, wegwijzers, verkeerstekens en ‑regelinstallaties, bovengeleidingsportalen, schakelkasten, luifels, pergola’s, straat- en pleinmeubilair, glascontainers, (beeldende) kunstwerken, speeltuigen en terreinafscheidingen.

 

4.3.    Bouwregels

a.        Voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen als bedoeld in lid 4.2, onder a, gelden de volgende bepalingen:

1.     de bruto-inhoud van de gebouwen bedraagt ten hoogste 50 m3;
2.     de bouwhoogte van de gebouwen bedraagt ten hoogste 3,5 m.

b.        Voor het bouwen van andere bouwwerken als bedoeld in lid 4.2 geldt, dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan daarbij hierna is aangegeven:

 

bouwwerken      

max. bouwhoogte

luifels en pergola's

3,5 m

licht- en andere masten, wegwijzers, verkeerstekens en -regel­in­­stal­laties, (beeldende) kunstwerken en geluidwerende voorzieningen

10 m

overige andere bouwwerken

4 m

 

 

Artikel 5.          Wonen

5.1.    Bestemmingsomschrijving

De voor “Wonen” aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.        wonen met de daarbij behorende tuinen en parkeervoorzieningen;

b.        uitsluitend de stalling van personenauto's, motorrijwielen en (brom)fietsen met daarbij behorende parkeervoorzieningen;

c.        in een woning en de daarbij behorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen zijn beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten toegestaan, met dien verstande dat:

1.     het beroep of bedrijf door de bewoner van de woning wordt uitgeoefend welke bewoner maximaal 2 medewerkers mag hebben;
2.     het gebruik van de woning en de daarbij behorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen voor beroep of bedrijf niet mag leiden tot een (onevenredige) afbreuk of aantasting van:

·         het woonkarakter van de woning;

·         de ruimtelijke uitwerking of uitstraling van de (primaire) woonfunctie;

·         de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bebouwing;

·         het woongenot en de woonsituatie van de aangrenzende gronden en bebouwing;

·         het woonkarakter en woonmilieu van de straat, buurt of wijk.

3.     er geen sprake is van publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteiten aan huis;
4.     maximaal 35% van de bebouwde oppervlakte van de woning en de daarbij behorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag worden benut voor het beroep of bedrijf, met een maximum van 75 m²;
5.     het gebruik geen nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer en geen nadelige invloed heeft op de parkeerbehoefte in de openbare ruimte;
6.     er geen beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten in de openbare ruimte rond de woning mogen plaatsvinden, met uitzondering van in- en uitladen;
7.     het geen milieuvergunningsplichtige of meldingsplichtige bedrijven in het kader van de Wet milieubeheer betreft, zoals deze luidt op het tijdstip van het in ontwerp ter inzage leggen van dit plan, met dien verstande dat in ieder geval zijn toegestaan:
·         de niet-publieksgerichte activiteiten uit de van deze regels deel uitmakende bijlage Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging, dan wel daarmee gelijk kunnen worden gesteld voor wat betreft hun ruimtelijke uitwerking voor de omgeving;
·         voor zover een ontheffing wordt verleend zoals in bedoeld in lid 2: de publieksgerichte activiteiten uit de van deze regels deel uitmakende bijlage Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging, dan wel daarmee gelijk kunnen worden gesteld voor wat betreft hun ruimtelijke uitwerking voor de omgeving;
8.     geen buitenopslag plaatsvindt; opslag vindt uitsluitend binnen de woning en de daarbij behorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen plaats;
9.     reclame-uitingen maximaal 0,15 m² zijn en plat tegen de gevel worden gemonteerd of vrijstaand op een maximale hoogte van 1 m op eigen terrein.
 

d.        de op de verbeelding voorkomende aanduiding “geluidszone - weg”  is een gebied, dat behoort tot een zone als bedoeld in artikel 74 van de Wet geluidhinder.

5.2.    Ontheffingen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in artikel 5.1 onder 3 ten behoeve van publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteiten aan huis, met dien verstande dat:

·           voldaan wordt aan de in Amersfoort geldende parkeernormen, waarbij de parkeereis op eigen terrein wordt opgelost;

·           wanneer de parkeereis niet (volledig) op eigen terrein kan worden opgelost, de extra parkeerbehoefte wordt opgevangen op al aanwezige parkeerplaatsen in de openbare ruimte tot een maximum van 3 parkeerplaatsen, mits het betreffende gebied de extra parkeerdruk kan opvangen;

·           voor het overige wordt voldaan aan de onder 5.1 genoemde voorwaarden.

5.3.    Toegestane bouwwerken

Op en in de gronden als bedoeld in lid 1 mogen uitsluitend worden gebouwd:

a.        woningen met de daarbij behorende aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen;

b.        andere bouwwerken ten dienste van de bestemming, zoals luifels, pergola’s, verlichtingselementen en terreinafscheidingen;

c.        andere bouwwerken niet ten dienste van de bestemming, zoals kunstwerken.

5.4.    Bouwregels

a.        Voor het bouwen van woningen gelden de volgende bepalingen:

1.     de woningen ter plaatse van de gegeven aanduiding mogen uitsluitend worden gebouwd:

 

aanduiding           

Categorie

aaneengebouwd

aaneengebouwde woningen

gestapeld

meergezinswoningen

 

 

 

 

2.     de goothoogte en bouwhoogte van gebouwen mogen niet meer bedragen dan is aangegeven.

b.        Voor het bouwen van andere bouwwerken geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan hierna is aangegeven:

 

bouwwerken

max. bouwhoogte

pergola’s

3 m

palen en masten, zoals vlaggenmasten

8 m

erfafscheidingen op het voorerf

2 m

overige erfafscheidingen

2 m

overige andere bouwwerken

3 m

kunstwerken

10 m

5.5.    Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1, onder d van de Wet ruimtelijke ordening, nadere eisen te stellen met betrekking tot de plaats en afmetingen van overkappingen en andere bouwwerken, voor zover nodig ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en/of bouwwerken.

5.6.    Procedure bij nadere eisen

Bij het stellen van nadere eisen wordt de procedure gevolgd, die is vervat in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

5.7.    Ontheffingen Bouwregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

§    de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

§    het straat- en bebouwingsbeeld;

ontheffing te verlenen van het bepaalde in:

a.        lid 5.4, onder a.1, ten behoeve van het bouwen van liftschachten en ingangspartijen buiten het bouwvlak bij gestapelde woningen;

b.        lid 5.4, onder b, ten behoeve van het bouwen van hogere erfafscheidingen op het voorerf, met dien verstande dat:

1.     de erfafscheiding uitsluitend op de erfgrens tussen twee aaneengebouwde woningen mag worden gebouwd;
2.     de afstand tot de naar de weg gekeerde perceelgrens ten minste 2,5 m bedraagt;
3.     de bouwhoogte niet meer dan 2 m mag bedragen.

5.8.    Aanvullende gebruiksregels

Onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 7.10, lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening wordt in ieder geval verstaan:

a.        het gebruik van vrijstaande bijgebouwen als woonruimte;

b.        het gebruik van garageboxen voor bedrijfsmatige opslag en overige activiteiten met een bedrijfsmatig karakter.

5.9.    Procedure bij ontheffing

Bij het verlenen van ontheffing wordt de procedure gevolgd, die is vervat in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

 

5.10.  Wijziging Staat van Bedrijfsactiviteiten

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1, onder a van de Wet ruimtelijke ordening, de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging te wijzigen ten behoeve van het toevoegen en schrappen van soorten bedrijven en het veranderen van de categorie-indeling van soorten bedrijven, voor zover veranderingen in de bedrijfsvoering en de milieugevolgen van soorten bedrijven hiertoe aanleiding geven.


 HOOFDSTUK 3.     ALGEMENE REGELS

 

Artikel 6.         Anti-dubbeltelbepaling

 

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

 

 

Artikel 7.         Algemene bouwregels

7.1.    Overschrijding bouwgrenzen

In uitzondering op het bepaalde in hoofdstuk 2 (Bestemmingsregels) mag de bouwgrens door ondergeschikte bouwdelen worden overschreden, met dien verstande dat:

a.        plinten, pilasters, kozijnen, hemelwaterafvoeren, ventilatiekanalen en rookkanalen de bouwgrens met ten hoogste 0,3 m mogen overschrijden;

b.        luifels en overstekende daken de bouwgrens met ten hoogste 1 m mogen overschrijden;

c.        bij bouwwerken die boven een openbaar voetpad worden aangebracht, een minimale doorgangshoogte van 2,2 m dient te worden aangehouden;

d.        bij bouwwerken die boven een rijbaan worden aangebracht, een minimale doorgangshoogte van 4,2 m dient te worden aangehouden.

7.2.    Ontheffing

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

§    de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

§    het straat- en bebouwingsbeeld,

ontheffing te verlenen ten behoeve van het bouwen van luifels, balkons, bordessen, trappen, galerijen, reclametoestellen en draagconstructies voor reclame, mits:

a.        de bouwgrens met niet meer dan 1,5 m wordt overschreden;

b.        de bouwwerken niet lager worden aangebracht dan 4,2 m boven een rijbaan en 2,2 m boven een voetpad.

7.3.    Parkeren

Bij een gebouw moet ten behoeve van het parkeren en het stallen van auto’s in de juiste mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort, met dien verstande dat:

a.        de juiste mate van ruimte wordt bepaald met behulp van de parkeernota zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 27 januari 2009;

b.        de in lid a genoemde parkeernorm flexibel is tot een maximum, in die gevallen waarvoor in genoemde parkeernota een dergelijk maximum is opgenomen;

c.        de in lid a bedoelde ruimten voor het parkeren van auto’s moeten afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto’s. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:

1.      indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 2 m bij 5,50 m en ten hoogste 3,25 m bij 6 m bedragen en bij haaks of gestoken parkeren de ruimte ten minste 2.50 m bij 5 m bedragen;
2.     indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte - voor zover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij 5 m bedragen.

7.4.    Laden en lossen

Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

7.5.    Ontheffing

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het:

a.        het bepaalde in lid 3 en lid 4 voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien;

b.        het bepaalde in lid 3, onder a en b, indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, tot welke bijzondere omstandigheden in elk geval worden gerekend:

1.     een te verwachten meer dan gemiddeld aantal gehandicapte gebruikers of bezoekers van het gebouw;
2.     een bestemming van het gebouw als parkeergarage, dan wel garage-bedrijf.

7.6.    Procedure bij ontheffing

Bij het verlenen van ontheffing wordt de procedure gevolgd, die is vervat in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

7.7.    Wijziging parkeernormen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1, onder a van de Wet ruimtelijke ordening, de in lid 4 bedoelde parkeernormen en bedragen te wijzigen, indien door de gemeenteraad nieuwe parkeernormen, dan wel nieuwe bedragen zijn vastgesteld.

 

 

Artikel 8.         Algemene gebruiksregels

 

Een verboden gebruik als bedoeld in artikel 7.10, lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening is in ieder geval het gebruik:

a.        van onbebouw­de gronden:

1.     als stand- of ligplaats van onderkomens, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden;
2.     als opslag-, stort- of bergplaats van machines, voer- en vaar­tui­gen en andere al dan niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden;
3.     als plaats voor sloop-, reparatie- of andere werkzaamheden aan auto’s, anders dan incidentele, reguliere onderhouds­werk­zaam­heden op beperkte schaal;
4.     de opslag en verkoop van motorbrandstoffen en LPG;

b.        van gebouwen en onbebouwde gronden:

1.     als seksinrichting.

Artikel 9.         Algemene ontheffingsregels

9.1.    Ontheffingen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van de desbetreffende bepalingen van het plan:

a.        voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen van openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, schakelhuisjes, abri’s, telefooncellen, fietsenstallingen, weegbruggen en dienstgebouwtjes voor onderhoud of gebruik van openbaar groen, wegen of speelplaatsen, uitgezonderd verkooppunten voor motorbrandstoffen, waarvan de goothoogte niet meer dan 3 m en de inhoud niet meer dan 50 m3 mag bedragen;

b.        voor het in geringe mate afwijken van een bestemming- of bouwgrens en aanduidingen met ten hoogste 3 m, mits daardoor de geldende oppervlakte van de bij de afwijking betrokken vlakken met niet meer dan 10% wordt verkleind of vergroot;

c.        voor afwijkingen van eisen, gesteld ten aanzien van maten en percentages, mits die afwijkingen beperkt blijven tot ten hoogste 10% van de in het plan aangegeven maten en percentages.

9.2.    Voorwaarden

De ontheffingen als bedoeld in lid 9.1 worden geweigerd indien door het verlenen van ontheffing:

a.        op enig aangrenzend terrein de realisering van de bestemming wordt belemmerd;

b.        daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende terreinen.

9.3.    Procedure bij ontheffing

Bij het verlenen van ontheffing wordt de procedure gevolgd, die is vervat in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

 


HOOFDSTUK 4. OVERGANGS- EN SLOTREGELS

 

Artikel 10.      Overgangsrecht

10.1.  Overgangsrecht bouwwerken

a.        Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

1.     gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
2.     na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

b.        Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig ontheffing verlenen van het eerste lid voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.

c.        Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

10.2.  Overgangsrecht gebruik

a.        Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

b.        Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

c.        Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

d.        Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

 

10.3.  Hardheidsclausule

 

                        Voor zover toepassing van het overgangsrecht bouwwerken of gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard jegens een of meer natuurlijke personen kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van die persoon of personen van dat overgangsrecht ontheffiing verlenen.

 

 

Artikel 11.      Slotregel             

 

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan “Kruiskamp Parkweelde II”.


BIJLAGE 1

Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging

 

 

 

SBI-CODE

OMSCHRIJVING

 

-

 

CATEGORIE

221

Uitgeverijen (kantoren)

A

2223

Grafische afwerking

A

223

Reproductiebedrijven opgenomen media

A

361

Meubelstoffeerderijen b.o. < 75 m2

A

511

Handelsbemiddeling (kantoren)

A

527

Reparatie t.b.v. particulieren (excl. auto's en motorfietsen)

A

61, 62

Vervoersbedrijven (uitsluitend kantoren)

A

6322, 6323

Overige dienstverlening t.b.v. vervoer (kantoren)

A

633

Reisorganisaties

A

642

Telecommunicatiebedrijven

A

70

Verhuur van en handel in onroerend goed

A

72

Computerservice- en informatietechnologie-bureaus e.d.

A

732

Maatschappij- en geesteswetenschappelijk onderzoek

A

74

Overige zakelijke dienstverlening: kantoren

A

75

Openbaar bestuur (kantoren e.d.)

A

8512, 8513

Artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven

A

8514, 8515

Consultatiebureaus

A

9111

Bedrijfs- en werknemersorganisaties (kantoren)

A

9251, 9252

Bibliotheken, musea, ateliers, e.d.

A

9301.3

Wasserettes, wassalons

A

9302

Kappersbedrijven en schoonheidsinstituten

A

9305

Persoonlijke dienstverlening n.e.g.

A