REGELS

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kenmerk: 3389829

 


INHOUDSOPGAVE VOORSCHRIFTEN          

 

HOOFDSTUK 1.           INLEIDENDE REGELS  2

Artikel 1.        Begrippen  2

Artikel 2.        Wijze van meten  5

HOOFDSTUK 2.           BESTEMMINGSREGELS  6

Artikel 3.        Kantoren  6

Artikel 4.        Waarde – archeologie (dubbelbestemming) 9

HOOFDSTUK 3.           ALGEMENE REGELS  12

Artikel 5.        Anti-dubbeltelbepaling  12

Artikel 6.        Algemene bouwregels  12

Artikel 7.        Algemene regels ten aanzien van parkeren  12

Artikel 8.        Algemene gebruiksregels  14

Artikel 9.        Algemene ontheffingsregels  15

HOOFDSTUK 4.           OVERGANGS- EN SLOTREGELS  16

Artikel 10.      Overgangsrecht 16

Artikel 11.      Slotregel 17

 

 


HOOFDSTUK 1.      INLEIDENDE REGELS

 

Artikel 1.         Begrippen

1.1.    plan:

het bestemmingsplan DHV – Laan 1914 van de gemeente Amersfoort;

1.2.    bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met bijbehorende regels als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0307.bp00008-0201;

1.3.    aan- of uitbouw:

een onderdeel van een hoofdgebouw dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

1.4.    aanduidingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.5.    aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.6.    ander bouwwerk:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde;

1.7.    archeologisch belangrijke plaats:

gebied waarin belangrijke archeologische vindplaatsen worden verwacht;

1.8.    archeologisch deskundige:

de gemeentelijke archeoloog of een andere door burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van archeologie.

1.9.    archeologisch onderzoek:

onderzoek verricht door de gemeente Amersfoort of namens de gemeente Amersfoort door een dienst, bedrijf of instelling, beschikkend over een opgravingsvergunning ex artikel 39 mw en werkend volgens de kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie.

1.10.  bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

1.11.  bestaand bouwwerk:

een bouwwerk, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan aanwezig of in uitvoering is, dan wel wordt gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning.

1.12.  bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak;

1.13.  bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.14.  bijgebouw:

gebouw, dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde erf gelegen hoofdgebouw;

1.15.  bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een standplaats;

1.16.  bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

1.17.  bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitzondering van onderbouw en ruimten in de kap;

1.18.  bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.19.  bouwperceelgrens:

een grens van een bouwperceel;

1.20.  bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.21.  bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.22.  dakopbouw:

ondergeschikte opbouw op het dakvlak van een gebouw, ten behoeve van voorzieningen, zoals noodtrappen, luchtbehandelings- en liftinstallaties, balkonhekken en privacyschermen;

1.23.  dienstverlening:

het beroepsmatig verlenen van diensten, met uitzondering van prostitutie, waarbij een onderscheid kan worden gemaakt in:

a.     administratieve, financiële en zakelijke dienstverlening en dergelijke:
b.     het verrichten van administratieve en daarmede gelijk te stellen werkzaamheden, al dan niet met daaraan ondergeschikte baliewerkzaamheden;

1.24.  erf:

al dan niet bebouwde perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw;

1.25.  gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.26.  hoofdgebouw:

gebouw, dat op een erf door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken;

 

1.27.  kantoor

voorzieningen, gericht op het verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch of een daarmee gelijk te stellen gebied, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen;

1.28.  kelder

het doorlopende gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of vrijwel gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen wordt begrensd en dat geheel onder het (straat)peil is gelegen; 

1.29.  kunstwerk:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, ten behoeve van wegen en waterlopen, zoals een brug, duiker of viaduct;

1.30.  prostitutie:

het aanbieden van seksuele diensten tegen een materiële vergoeding;

1.31.  prostitutiebedrijf:

een bedrijf waar prostitutie het hoofdbestanddeel van de activiteiten vormt, een erotische massagesalon mede begrepen;

1.32.  seksinrichting:

een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht; onder een seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een parenclub of prosti­tutie­bedrijf, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.33.  telecommunicatiemast:

een constructie die uitsluitend of mede bedoeld is voor het bevestigen en dragen van telecommunicatieapparatuur;

1.34.  voorerf:

gedeelte van het erf dat aan de voorkant van het gebouw is gelegen;

1.35.  voorgevel:

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of de als zodanig aangeduide gevel van een hoofdgebouw;

1.36.  ontheffing:

een ontheffing van de voorschriften van dit plan als bedoeld in artikel 3.6, lid 1, onder c van de Wet ruimtelijke ordening;

1.37.  waardevol pand:

een gebouw van (buitengewone) architectuurhistorische of cultuurhistorische betekenis.



 

Artikel 2.         Wijze van meten

2.1.    Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten

a.        de lengte, breedte en de diepte van een bouwwerk:

tussen de lijnen, getrokken door de buitenzijde van de gevelvlakken en/of het hart van de scheidsmuren;

b.        de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

c.        peil:

a.     voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
b.     voor de overige gebouwen: de hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
c.     voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat direct aan de weg grenst: de kruin van de weg;
d.     voor de overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein bij voltooiing van de bouw;
e.     de (maaiveld)hoogte van een voor een erf of erven als zodanig aangegeven punt;

d.        de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van dakopbouwen en ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

e.        de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

f.         de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

g.        dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

h.        afstand tot de perceelgrens:

de kortste afstand van enig punt van een bouwwerk tot een bepaalde grens van het erf;

 


HOOFDSTUK 2.      BESTEMMINGSREGELS

 

Artikel 3.         Kantoren

3.1.    Bestemmingsomschrijving

 

De voor “Kantoren” aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.        administratieve, financiële en zakelijke dienstverlening;

b.        nutsvoorzieningen;

c.        ter plaatse van de aanduiding “parkeervoorziening” uitsluitend een gebouwde parkeervoorziening;   

d.        ter plaatse van de aanduiding “milieuzone-grondwaterbeschermingsgebied” zijn de gronden tevens bestemd voor het behoud en bescherming van kleilagen in de ondergrond in het kader van het behoud van de kwaliteit van het grondwater als onderdeel van de drinkwatervoorziening;

e.        ter plaatse van de aanduiding “cultuurhistorische waarden” zijn de gronden tevens bestemd voor de behoud en bescherming van de cultuurhistorische waarden van gebouwen;  

f.         bij een en ander behorende voorzieningen, zoals tuinen, parkeer‑ en groenvoorzieningen en ontsluitingswegen;

met dien verstande dat voorzien moet worden in voldoende parkeergelegenheid zoals vastgelegd in de gemeentelijke Parkeernota dd. 27 januari 2009.

3.2.    Bouwregels

 

Op en in deze gronden zijn uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, die ten dienste staan van de bestemming.

3.2.1. Gebouwen – algemeen

 

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

a.        gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd met dien verstande dat binnen het bouwvlak met de aanduiding “parkeervoorziening” uitsluitend een gebouwde parkeervoorziening mag worden gebouwd;    

b.        de bouwhoogte mag niet meer zijn dan ter plaatse op de verbeelding is aangegeven;

c.        de gronden binnen het bouwvlak mogen geheel worden volgebouwd;

d.        ter plaatse van de aanduiding “onderdoorgang” mag op de begane grond niet worden gebouwd, met dien verstande dat in ieder geval niet lager wordt gebouwd dan 3 m;

e.        kelders zijn overal toegestaan waar gebouwen zijn toegestaan.  

3.2.2. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

 

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

a.     op en in de gronden mogen uitsluitend worden gebouwd bij de bestemming behorende andere bouwwerken, zoals palen, masten, verkeers-, reclame- en andere tekens en terreinafscheidingen.

b.     de bouwhoogte van andere bouwwerken mag niet meer bedragen dan hierna is aangegeven:

bouwwerken      

max. bouwhoogte

palen, masten en reclame- en andere tekens

10 m

verlichtingsmasten

12 m

overkappingen

3 m

 

 

erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevel

1 m

overige erf- en terreinafscheidingen en overige andere bouwwerken

2 m

3.3.    Ontheffing Bouwregels

 

3.3.1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en het straat- en bebouwingsbeeld, ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid 3.2.2. ten behoeve van het bouwen van erfafscheidingen voor de voorgevel tot ten hoogste 2 m.

3.4.    Ontheffing Parkeernormen

 

3.4.1. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 3.1. voor het wijzigen van de parkeernormen in verband met en overeenkomstig een nieuwe door de gemeenteraad vast te stellen parkeernota, dan wel een wijziging van de parkeernormen.  

3.5.    Aanlegvergunning grondwaterbeschermingsgebied

 

3.5.1. Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van burgemeester en wethouders op of in de gronden ondergrondse transport- en energieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur aan te leggen, alsmede grond werkzaamheden dieper dan 2 meter onder het peil te verrichten. Dit verbod heeft geen betrekking op het aanbrengen van leidingen uitsluitend ten behoeve van de aansluiting van percelen op het openbare voorzieningennet en op werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud dan wel werken en werkzaamheden waarmee is of mag worden begonnen ten tijde van het onherroepelijk worden van het plan.    

 

3.5.2. Burgemeester en wethouders verlenen uitsluitend vergunning als bedoeld in lid 3.6.1.indien het belang van de drinkwatervoorziening hierdoor niet nadelig wordt beïnvloed.

 

3.5.3. Alvorens zij beslissen omtrent een vergunning als bedoeld in lid 3.5.1. vragen burgemeester en wethouders een schriftelijk advies aan de beheerder van het grondwaterbeschermingsgebied.

3.6.    Aanlegvergunning cultuurhistorische waarden

 

3.6.1. Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van burgemeester en wethouders van gebouwen ter plaatse van de aanduiding “cultuurhistorische waarden” geheel of gedeeltelijk de gevels of dakconstructie te wijzigen. Dit verbod heeft geen betrekking op werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud dan wel werken en werkzaamheden waarmee is of mag worden begonnen ten tijde van het onherroepelijk worden van het plan.  

 

3.6.2.Burgemeester en wethouders verlenen uitsluitend vergunning als bedoeld in lid 3.6.1. indien het belang van cultuurhistorie hierdoor niet nadelig wordt beïnvloed.

 

3.6.3. Alvorens zij beslissen omtrent een vergunning als bedoeld in lid 3.6.1. vragen burgemeester en wethouders een schriftelijk advies aan de gemeentelijke monumentencommissie.

3.7.    Sloopvergunning cultuurhistorische waarden

 

3.7.1. Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (sloopvergunning) van burgemeester en wethouders gebouwen ter plaatse van de aanduiding “cultuurhistorische waarden” geheel of gedeeltelijk te slopen. Dit verbod heeft geen betrekking op wel werken en werkzaamheden waarmee is of mag worden begonnen ten tijde van het onherroepelijk worden van het plan.  

 

3.7.2.Burgemeester en wethouders verlenen uitsluitend vergunning als bedoeld in lid 3.7.1. indien het belang van cultuurhistorie hierdoor niet nadelig wordt beïnvloed.

 

3.7.3. Alvorens zij beslissen omtrent een vergunning als bedoeld in lid 3.7.1. vragen burgemeester en wethouders een schriftelijk advies aan de gemeentelijke monumentencommissie.

3.8.    Wijzigingsbevoegdheid cultuurhistorische waarden 

Burgemeester en wethouders kunnen overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1, onder a van de Wet op de ruimtelijke ordening het bestemmingsplan wijzigen
door het geheel of gedeeltelijk te doen vervallen van de aanduiding “cultuurhistorische waarden” indien op basis van cultuurhistorisch onderzoek is aangetoond, dat geen cultuurhistorische waarden (meer) aanwezig zijn.      


 

Artikel 4.         Waarde – archeologie (dubbelbestemming)

4.1.    Bestemmingsomschrijving

 

De voor “Waarde – archeologie” aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.

4.2.    Bouwregels

Op en in de gronden als bedoeld in lid 4.1. mogen ten dienste van de bestemming Waarde-archeologie uitsluitend worden gebouwd andere bouwwerken met een maximale bouwhoogte van 4 m.

 

4.2.1.   archeologisch onderzoeksrapport

Op en in de gronden als bedoeld in lid 4.1. mag ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemming(en) slechts worden gebouwd overeenkomstig de regels van die bestemming(en) en mits de aanvrager van een vergunning  voor het bouwen een archeologisch onderzoeksrapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld.

 

4.2.2.   uitzondering

Het bepaalde in lid 4.2.1. met betrekking tot het overleggen van een archeologisch onderzoeksrapport is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op:

a.         vervanging, vernieuwing of  verandering van de bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande fundering;

b.         de met de oprichting van een bouwwerk samenhangende bodemingrepen niet dieper zijn dan 30 cm;

c.         de met de oprichting van een bouwwerk samenhangende bodemingrepen dieper zijn dan 30 cm en een oppervlakte omvattten van maximaal 100 m2; 

c.         indien op voorhand is vastgesteld dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad.

 

4.2.3.   verlening vergunning

Burgemeester en wethouders verlenen de in lid 4.2.1. bedoelde vergunning indien naar hun oordeel uit het daar genoemde rapport genoegzaam blijkt dat:

a.         er geen archeologische waarden kunnen worden geschaad of

b.         schade door de met de oprichting van het bouwwerk  samenhangende activiteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het aan de vergunning  voor het bouwen verbinden van  voorwaarden.

 

4.2.4.    voorwaarden verlening vergunning

De volgende in lid 4.2.3. genoemde voorwaarden kunnen door burgemeester en wethouders aan de vergunning  verbonden worden:

a.         de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden,

b.         de verplichting tot het doen van opgravingen en

c.         de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

 

4.2.5.    weigering

De in lid 4.2.1. bedoelde vergunning kan worden geweigerd indien door de bodemverstoring het belang van de archeologie onevenredig wordt geschaad. 

           

4.3.      Aanlegvergunning

4.3.1.    werken en werkzaamheden

Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren op een grotere diepte dan 30 cm en over een grotere oppervlakte dan 100 m2:

a.         het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe ook wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage;

b.         het aanleggen, vergraven, verruimen en dempen van sloten, vijvers en andere wateren ;

c.         het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of

parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; 

d.         het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze  in               drijven van voorwerpen in de grond;

e.         het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden

verwijderd  en het aanleggen van diepwortelende beplanting;

f.          het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

 

4.3.2.   archeologisch onderzoeksrapport

a.         De aanvrager van de aanlegvergunning  als bedoeld in lid 4.3.1. legt een archeologisch onderzoeksrapport over waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld.

b.         De in lid 4.3.2., onder a beschreven verplichting tot het overleggen van een archeologisch onderzoeksrapport geldt niet indien op voorhand is vastgesteld dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad.

 

4.3.3.    verlening aanlegvergunning

Burgemeester en wethouders verlenen de aanlegvergunning indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in lid 4.3.2. genoegzaam blijkt dat:

a.         er geen archeologische waarden kunnen worden geschaad of

b.         schade door de met de werken en werkzaamheden samenhangende activiteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het aan de aanlegvergunning  verbinden van voorwaarden.

 

4.3.4.    voorwaarden verlening vergunning

De volgende in lid 4.3.3. onder b. genoemde voorwaarden kunnen door burgemeester en wethouders aan de aanlegvergunning  verbonden worden, zoals:

a.         de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

b.         de verplichting tot het doen van opgravingen en

c.         de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

 

4.3.5.    weigering

De in lid 4.3.1. bedoelde aanlegvergunning kan worden geweigerd indien door de bodemverstoring het belang van de archeologie onevenredig wordt geschaad.

 

4.3.6.   uitzondering

Het in lid 4.3.1. vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

a.         worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk waarop lid 4.2.   van toepassing is;

b.         het normale onderhoud en/of gebruik betreffen;

c.         reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reedsmogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van ditplan;

d.         ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.

4.4. Wijzigingsbevoegdheid

 

Burgemeester en wethouders kunnen overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1, onder a van de Wet op de ruimtelijke ordening het bestemmingsplan wijzigen door de bestemming(en) Waarde – archeologie geheel of gedeeltelijk te doen vervallen indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.  

 

 

 


 

HOOFDSTUK 3.      ALGEMENE REGELS

 

Artikel 5.         Anti-dubbeltelbepaling

 

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

 

 

Artikel 6.         Algemene bouwregels

6.1.    Overschrijding bouwgrenzen

In uitzondering op het bepaalde in hoofdstuk 2 (Bestemmingsregels) mag de bouwgrens door ondergeschikte bouwdelen worden overschreden, met dien verstande dat:

a.        plinten, pilasters, kozijnen, hemelwaterafvoeren, ventilatiekanalen en rookkanalen de bouwgrens met ten hoogste 0,3 meter mogen overschrijden;

b.        luifels en overstekende daken de bouwgrens met ten hoogste 1 meter mogen overschrijden;

6.2.    Ontheffing

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

§    de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

§    het straat- en bebouwingsbeeld,

ontheffing te verlenen ten behoeve van het bouwen van luifels, balkons, bordessen, trappen, galerijen, reclametoestellen en draagconstructies voor reclame, mits de bouwgrens met niet meer dan 1,5 meter wordt overschreden.

 

 

Artikel 7.         Algemene regels ten aanzien van parkeren

7.1.    Parkeren

a.         Bij een gebouw moet ten behoeve van het parkeren en het stallen van auto’s in de juiste mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort, met dien verstande dat:

1.         de juiste mate van ruimte wordt bepaald met inachtneming  van de Nota Parkeernormen 2009 gemeente Amersfoort, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 27 januari 2009 en de door het college vastgestelde bijbehorende beleidsregels; 

2.         de in lid 7.1.onder a.1 genoemde parkeernorm flexibel is tot een maximum, in die gevallen waarvoor in de genoemde Nota  Parkeernormen 2009 een dergelijk maximum is opgenomen en onder de volgende voorwaarden:

a.         voor kantoren op intercity- of knooppuntlocaties en detailhandel op intercity- of knooppuntlocaties:

1.een door de initiatiefnemer opgesteld en door de gemeente getoetst mobiliteitsprofiel;

2.het leveren van een financiële bijdrage aan de gemeente per extra te realiseren parkeerplaats voor bedrijfsgericht parkeren ter grootte van de in de bijlage van de Nota Parkeernormen genoemde  bedragen; 

b.         voor kantoren op snelweg- of overige locaties en woningen op snelweg- of overige locaties: een door de initiatiefnemer opgesteld en door de gemeente getoetst mobiliteitsprofiel.

3.         de in lid 7.1., onder a bedoelde ruimten voor het parkeren van auto’s moeten afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto’s. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:

a. indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 2.00 m bij 5,50 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen en bij haaks of gestoken parkeren de ruimte ten minste 2.50 m bij 5,00 m bedragen;

b.indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte - voor zover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen en bij haaksparkeren met een uitstapstrook langs het parkeervak ten minste 3,00 m breed en zonder uitstapstrook 3,50 m breed en ten minste 5,00 m lang bedragen.

b.                     Er kan een parkeernorm worden toegepast die boven de hoge norm ligt mits voldaan wordt aan de de volgende bepalingen:

1.         voldaan moet worden aan het bepaalde in lid 7.1. onder a 2.

2.         het te verwachten extra autoverkeer als gevolg van de extra parkeerplaatsen boven de hoge norm leidt niet tot (extra) doorstromingsproblemen op de grote stadswegen.

3.         de aanleg van parkeerplaatsen boven de hoge norm moet een algemeen belang dienen. Zo zullen de parkeerplaatsen die ongebruikt blijven buiten kantooruren op koopavonden en in weekeinden opengesteld voor openbaar gebruik volgens de lokaal vergelijkbaar openbaar parkeerregime.

4.         een parkeergelegenheid met meer dan 200 parkeerplaatsen wordt opgenomen in het gemeentelijke ParkeerrouteInformatieSysteem. De kosten daarvan zijn voor rekening van de aanvrager.

 

7.2.      Laden en lossen

Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

 

7.3.      Ontheffing

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van:

a.         het bepaalde in lid 7.1. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien;

b.         het bepaalde in lid 7.1.,  onder a en b, indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, tot welke bijzondere omstandigheden in elk geval worden gerekend:

1.         een te verwachten meer dan gemiddeld aantal gehandicapte gebruikers of bezoekers van het gebouw;

2.         een bestemming van het gebouw als parkeergarage, dan wel garagebedrijf.

c.         de in lid 7.1. bedoelde parkeernormen en bedragen, indien door de gemeenteraad nieuwe parkeernormen, dan wel nieuwe bedragen zijn vastgesteld.

 

 


Artikel 8.         Algemene gebruiksregels

 

Een verboden gebruik als bedoeld in artikel 7.10, lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening is in ieder geval het gebruik:

a.        van onbebouw­de gronden:

a.     als stand- of ligplaats van onderkomens, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden;
b.     als opslag-, stort- of bergplaats van machines, voer- en vaar­tui­gen en andere al dan niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden;
c.     als plaats voor sloop-, reparatie- of andere werkzaamheden aan auto’s, anders dan incidentele, reguliere onderhouds­werk­zaam­heden op beperkte schaal;
d.     de opslag en verkoop van motorbrandstoffen en LPG;

b.        van gebouwen en onbebouwde gronden:

a.     als seksinrichting.

Artikel 9.         Algemene ontheffingsregels

9.1.    Ontheffingen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van de desbetreffende bepalingen van het plan:

a.        voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen van openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, schakelhuisjes, abri’s, telefooncellen, fietsenstallingen, weegbruggen en dienstgebouwtjes voor onderhoud of gebruik van openbaar groen, wegen of speelplaatsen, uitgezonderd verkooppunten voor motorbrandstoffen, waarvan de goothoogte niet meer dan 3 m en de inhoud niet meer dan 50 m3 mag bedragen;

b.        voor het in geringe mate afwijken van een bestemmings- of bouwgrens en aanduidingen met ten hoogste 3 m, mits daardoor de geldende oppervlakte van de bij de afwijking betrokken vlakken met niet meer dan 10 % wordt verkleind of vergroot;

c.        voor afwijkingen van eisen, gesteld ten aanzien van maten en percentages, mits die afwijkingen beperkt blijven tot ten hoogste 10% van de in het plan aangegeven maten en percentages;

9.2.    Voorwaarden

De ontheffingen als bedoeld in lid 9.1 worden geweigerd indien door het verlenen van ontheffing:

a.        op enig aangrenzend terrein de realisering van de bestemming wordt belemmerd;

b.        daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende terreinen.


HOOFDSTUK 4.      OVERGANGS- EN SLOTREGELS

 

Artikel 10.      Overgangsrecht

10.1.  Overgangsrecht bouwwerken

a.        Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

a.     gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
b.     na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

b.        Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig ontheffing verlenen van het eerste lid voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.

c.        Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

10.2.  Overgangsrecht gebruik

a.        Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

b.        Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

c.        Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

d.        Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

 

10.3.  Hardheidsclausule

 

                        Voor zover toepassing van het overgangsrecht bouwwerken of gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard jegens een of meer natuurlijke personen kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van die persoon of personen van dat overgangsrecht vrijstelling verlenen.


Artikel 11.      Slotregel             

 

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan DHV – Laan 1914.